''Hardcore draait niet om ziedende kicks, maar om sfeer''

Hij spreekt vol enthousiasme, armen uitgestrekt richting plafond. ‘‘Een goed voorbeeld van dé ultieme sfeerplaat is ‘Frequencies’ van Buzz Fuzz. Er gebeurt geen flikker, toch boeit het van begin tot eind. Het is bijna trance, maar die melodie is zó goed, zó minutieus uitgesponnen, er zit zóveel spanning in. En net wanneer je denkt oké gebeurt er nog wat, gaat de melodie over in een vrij simpele kick met een offbeat-patroon. Dat zijn zulke karakteristieke tracks. Er zit een ziel in.’’

Tegenover mij zit Patrick van Kerkhoven, levende hardcorelegende, als Ruffneck een van de grondleggers van het genre. Met een toer langs Nederlandse clubs en festivals viert hij dit jaar zijn zilveren jubileum. Hardcore draaien en produceren doet hij nog steeds, in de Amsterdamse Melkweg presenteerde hij onlangs een nieuw album. Met twinkelende ogen en een Ruffneck T-shirt om het lijf vertelt hij welk Nederlands feest hem na bijna drie decennia plaatjes draaien nog altijd razend enthousiast maakt.  

‘‘Play Festival! In Sneek! Als je kan, ga! De organisatie bestaat uit een leger vrijwilligers die alles zelf doen, van het geluid tot de logistiek en de bar. Zodra ik daar naar binnen loop lijkt het alsof ik qua sfeer 25 jaar terug in de tijd ga. Vrij van regels, in een boerderij met allerlei kleine kamers en hoekjes die dienen als dansvloer, in sommige ruimtes past maar twintig man. Maar het is he-le-maal de shit. Muzikaal gezien ook. Legendes als Robin Albers (Jaydee red.) draaien er, de muziek varieert van early rave tot techno. Het is zo leuk, echt, ga daar heen. Play is het tegenovergestelde van een megarave als Defqon bijvoorbeeld, maar voor mij het leukste festival van het jaar. Dit soort kleinschalige hardcorefeesten, waar het er heel gemoedelijk aan toegaat, vind je nergens anders. Ik ken ze in ieder geval niet.’’

Zo belanden we automatisch bij het onderwerp dat ik met Ruffneck wil bespreken. Voor DJBroadcast schreef ik nadat ik op een ander kleinschalig hardcorefeest belandde over de golf van nieuwe of, ‘progressive’ hardcore, die vooralsnog alleen bescheiden zalen bereikt. Op Strange Days & Modern Day Rogues in de Amsterdamse OT301, een voormalig kraakpand waar de sfeer net als in die Friese boerderij altijd gemoedelijk is, voelde ik op mijn beurt de euforie die Van Kerkhoven beschrijft. Enerzijds vanwege de intieme setting, anderzijds omdat de muziek die ik er hoorde herkenbaar maar tegelijkertijd super fris klonk. Jonge, opkomende producers gaan aan de haal met een decennia-oud genre en putten met onbevooroordeelde oren inspiratie uit o.a. de muziek van Ruffneck.

De Italiaanse dj, producer en rave-archivaris Alberto Guerrini aka Gabber Eleganza is een van de grote aanjagers van dat nieuwe geluid. Hij vergleek ‘progressive’ hardcore met het spelen van totaalvoetbal, een tactiek in het voetbal waarbij spelers constant van positie wisselen om zo verwarring te zaaien: eenverdediger die opduikt in de aanval, een keeper die aan het veldspel deelneemt, enzovoort. In zijn producties vervangt Gabber Eleganza klassieke hardcore-elementen als een overstuurde kickdrum door synthesizers of effecten. Hardcore, vindt hij, draait niet om ziedende kicks maar om sfeer. En Van Kerkhoven is het roerend met hem eens. ‘‘De beste hardcore tracks hebben een melodie die je niet zomaar uit je kop krijgt.’’ Daarover zometeen meer.  

Strange Days & Modern Day Rogues voor mij aanleiding om dieper in die nieuwe vormen van hardcore te duiken. Wat ik die avond hoorde was voor mij de bevestiging dat liefde voor clubmuziek en rave moeilijk slijten. Dat elektronische muziek zich altijd blijft ontwikkelen en dat jonge producers lak aan ongeschreven regels hebben. Dat een track kan bestaan uit alleen maar breaks of melodie. Dat er in die experimenten een enorme en energie en spanning zit. Precies dat houdt deze kunstvorm, deze clubcultuur zo fris en inspirerend. Het is een constante stroom van nieuwe energie, muzikaal maar ook sociaal-cultureel. Ik stond achttien jaar geleden in de Arnhemse Rijnhal tussen de gabbers te hakken bij Ruffneck, dik twee decennia later doe ik hetzelfde tussen wat je enigszins kortzichtig een gemêleerd kunstacademiepubliek zou kunnen noemen, bij dj’s als Gabber Eleganza en het Amsterdamse duo Know V.A..

‘‘Als ik dit hoor denk ik dat deze scene veel van mijn nieuwe producties wel kan waarderen. Die hebben bijna allemaal intro’s van twee, 2,5 minuut zonder kick’’ 

Ik ga er voor het gemak vanuit dat Ruffneck nauwelijks introductie behoeft. Zoek in de gabber hall of fame naar de originators en je vindt namen als DJ Rob, Paul Elstak, Buzz Fuzz en Ruffneck. Van Kerkhoven is voor altijd die producer van ‘Ruffneck Rules Da Artcore scene’, evergreen der hardcore-evergreens, maar daarmee doe je hem tekort: zie zijn discografie die meerdere bladzijden beslaat. Zijn labels Ruffneck en Enzyme Records hebben een iconische status, zijn innovatieve manier van produceren inspireerde legio artiesten die in de begintijd van gabber iets voorstelden.

Ik wil van Ruffneck weten hoe hij naar progressive hardcore kijkt. ‘‘Oké?’’, zegt hij met grote ogen als ik de situatie bij OT301 schets. ‘‘Vet’’, als ik vertel dat ook daar niet meer dan 200 man op de dansvloer passen. ‘‘Wow’’, als ik met armgebaren probeer te illustreren hoe het decor er die avond uitzag: over de lengte van het complete plafond waren stalen dranghekken op een meter boven de hoofden van het publiek opgehangen. ‘‘Huh, wat?!,’’ als ik zeg dat veel van de hardcore die avond van kicks en drums gestript waren.

Ik vraag of ik voorbeelden mag laten horen. ‘‘Graag.’’ Meteen herkent hij het origineel van de Gabber Eleganza-edit die ik ietwat knullig over de oortjes van mijn laptop afspeel. ‘‘Masters Of Ceremony - ‘Way Of Life’!’’

‘‘Het zijn eigenlijk alleen de breaks,’’ legt hij uit. Ik wil mijn laptop dichtklappen maar Van Kerkhoven onderbreekt me. ‘‘Mag ik nog even verder luisteren?’’, om vervolgens in een verbaasd lachen uit te barsten. ‘‘Maar er komt dus helemaal geen kick? En dat gaat de hele nacht zo door?’’ Nee, niet de hele nacht, maar wel een groot gedeelte. ‘‘Heel bijzonder. In mijn producties maak ik alle breaks juist steeds korter. Als je deze muziek op een normaal hardcore-feest draait krijg je geheid vragen. Waar blijft die kick?’’

Maar hij snapt waarom mensen er enthousiast van worden. Sterker nog: ‘‘Als ik dit hoor denk ik dat deze scene veel van mijn nieuwe producties wel kan waarderen. Die hebbenouderwets lange intro’s en outro’s zonder beats.’’

Ik vraag waar voor hem de vernieuwing, de uitdaging in de muziek nog zit. Van Kerkhoven legt uit dat hardcore zoals we die uit de gabbertijd kennen al jaren in een impasse zit. De scene is conservatief. Het tempo van de muziek, zegt hij, ligt enorm hoog. En daar haakt Ruffneck af. ‘‘Ik respecteer het hoor, er zijn veel mensen die dat tof vinden dus wie ben ik om dat af te kraken. Maar ik houd het nog geen half uur vol. Het gaat maar om twee dingen: de kick en het tempo. Retesaai als je ’t mij vraagt. Mensen verwarren hard vaak met snel. Moet je horen hoe hard!, roepen ze dan. Terwijl het in feite slechts een hele snelle track is. Zo’n track maken is niet moeilijk, je draait gewoon het tempo-knopje naar rechts.’’

‘‘De hardcore uit de begintijd draaide om het samenspel van verschillende muzikale elementen. Het ging helemaal niet om snoeiharde kicks, maar om geluiden. Wat jij me mu laat horen vind ik tof: deze producties draaien alleen máár om geluiden, om melodie. Eigenlijk gaan ze helemaal terug naar de basis én nog een stapje verder, want ze slopen de kick eruit.’’

‘‘Mijn eerste plaat kwam in 1989 uit. Wij werden toen helemaal wild van geluiden die je in andere producties niet zo snel hoorde. Zoek maar op: mijn eigen Mindcontroller-producties of die van Frank de Wulf als Human Resource, T99's – Anastasia.

‘‘Bij die platen denk je niet aan een kick maar aan geluiden, aan de sfeer van zo’n nummer.’’ Er volgt een korte masterclass produceren. ‘‘Je pakte het staartje van een compositie van een klassieke string-partij, het laatste akkoord dat heel dramatisch lang wordt aangeslagen. Daar knipte je een stuk uit om te samplen. Zo maakten we die geluiden.’’ 

‘‘Speedy J – ‘Pullover’, nog zo’n voorbeeld. Dan begint iedereen pwwwweph-pwwwweeeeeph-weeeeph-pwe-weeeph te doen. Dat soort geluiden, dát is hardcore voor mij. Later kwamen daar dikke kicks en wat samples bij. Tegenwoordig wordt dat er weer uit gesloopt en blijft alleen de kick over. Dan mis ik iets.’’

Van Kerkhoven is terug bij wat hij ‘original’ hardcore noemt. ‘‘Daar zit voor mij veel meer in dan in de sound die nu populair is. Ik mix bass-heavy tracks met nummers die om sfeer draaien. Over die combinaties denk je na. Een nummer met een stekend melodietje en een mooie stem mix je met een keiharde kick. Zo voorkom je dat het een rechte streep wordt. Je gooit er een sausje over zodat het dik klinkt. Dat heb ik met Ruffneck ook altijd gedaan. Een partij strings, daar overheen een melodielijn, dat verder aankleden met geluiden. Laagjes stapelen. Zo creëer je ambiance.’’

Mijn favoriete Ruffneck-plaat is ‘Circuit’, een track die hij onder zijn ‘techno’-alias Wedlock maakte. Als ik dat vertel valt Van Kerkhoven lachend bijna van zijn stoel. ‘‘Ik vind het nogal verrassend dat je daarmee aan komt zetten. Maar inderdaad, ik snap het wel, want die plaat is een en al sfeer.’’ Met zijn vingers tekent hij een denkbeeldige melodielijn. ‘‘Wieeeeeeew’’, en dan komt-ie uit die filter! Ik kan dit soort dingen jammer genoeg niet in mijn sets draaien, het neigt te veel naar breakbeat, dat trekt mijn publiek niet.’’    

Van Kerkhoven heeft stapels nieuwe muziek op de plank liggen. Het weekend na dit interview presenteert hij een nieuw album op 25 Years Ruffneck in de Amsterdamse Melkweg. ‘‘Sommige artiesten vertellen hun levensverhaal door te rappen, ik maak hardcore. Dat klinkt heel cliché, maar dit is mijn leven. Ik vertel wie ik ben middels mijn muziek. Als het aan mij ligt tot de dag waarop ik dood neerval.’’

Van Kerkhoven kijkt met verbazing naar de huidige status van hardcore- en gabbercultuur. Hardcore wordt niet alleen omarmd door een nieuwe generatie clubbers, ook de media belicht het oer-Hollandse genre op een enormpositieve manier. Dat was in de begintijd van Ruffneck totaal anders. ‘‘We hebben moeten vechten met zijn allen, hoor’’, kan Van Kerkhoven er nu om lachen. ‘‘Maar tegenwoordig hangt zelfs Christian Dior aan de telefoon.’’

Hij doelt op de modecampagne waarvoor een van zijn nummers is gebruikt. ‘‘Ik dacht dat het een grap was.  ‘Jiiieehaaaa’ van Diss Reaction (alias Ruffneck en Predator red.) is zo’n beetje de vrolijkste plaat op Ruffneck Records, maar dan nog. Totdat ik het eindresultaat zag. Best geinig. Ze maken het niet belachelijk. Dat was voor mij een voorwaarde. Maar waar vroeger merken hard wegrenden als ze het woord ‘gabber’ hoorden, is het blijkbaar nu opeens cool. Prima. Hij heeft wel lef, die Dior.’’

Onbegrijpelijk vindt hij het feit dat jonge mensen van nu er uit willen zien als de gabbers van toen. ‘‘Niet omdat ik het niet tof vindt, maar omdat ik het nooit had verwacht. Gabber was na Gabber Piet een vies woord.’’

‘‘Ik ben vooral bezig met muziek maken en kom mijn studio alleen uit voor optredens en krijg van dit soort dingen niet al te veel mee. Het bereikt me simpelweg niet. Maar wat jij vertelt over die nieuwe muziek, of over het feit dat er in het Stedelijk Museum een dans wordt opgevoerd waar elementen van de hakkuh dans inzitten (ik laat dit filmpje van Michele Rizzo zien red.), vind ik echt ik heel bijzonder.’’ Hij meent het, is er zelfs een beetje stil van. ‘‘Te gek. Want wat me voornamelijk opvalt is dat al die dingen die je me net liet zien en horen gebaseerd zijn op de originele hardcore. Het verbaast me maar ik vind het heel interessant.’’

‘‘Er zijn altijd jonge mensen met talent’’, drukt hij met tot slot op het hart. ‘‘Ik wil nu niet als een ouwe lul klinken, maar toen wij begonnen was er niks, maar dan ook echt he-le-maal niks. Geen housefeesten, geen clubs, geen internet, geen collega’s aan wie je kon vragen hoe het allemaal werkte. Dat DIY-aspect van gabber wordt nog weleens over het hoofd gezien. Het duurde een jaar of tien voor we überhaupt van een scene spraken.’’

‘‘Als ik al die talenten iets zou willen meegeven is het: heb een beetje geduld. Alles moet snel, sneller, snelst. Iedereen wil het liefst gisteren in plaats van vandaag doorbreken. Dat vind ik zonde want het doet de inhoud van de muziek, van de scene als geheel weinig goeds. Je moet een beetje uithoudingsvermogen opbouwen, niet denken dat je er al bent wanneer je twee hits hebt gescoord. Het is volgens mij goed om af en toe even stil te staan bij wat je doet, en wáárom je het doet. Voor de muziek, of om snel beroemd te worden?''

''Volgens mij moet de drang om iets te maken een soort intrinsiek en ondefinieerbaar gevoel zijn. Dat had ik toen ik voor het eerst een plaat van Fairley Jackmaster Funk hoorde. Baf! Er ging letterlijk een deur in mijn hoofd open. Dit is waar ik op heb gewacht! Ik draaide italo-disco toen, ben ik gelijk mee gestopt.’’ Dan lachend: ‘‘Al heb ik daar nu wel een beetje spijt van hoor. Te gekke muziek, man. Ik wilde eigenlijk Chicago house maken, maar omdat ik niet de juiste apparatuur had leek het nergens op. Toen draaiden we per ongeluk het vermogen van de drumcomputer, een Roland 909, iets te ver open. Wow. Hardcore was eigenlijk een ongelukje, maar het sloeg gelijk aan. Incubus – ‘The Spirit’ was mijn eerste hit, daarna volgde het Mindcontroller-project. Goeie geluiden zitten daarin, hoor.’’

Ook in zijn eigen scene ziet Van Kerkhoven veel nieuwe aanwas. ‘‘Supergaaf vind ik dat, de laatste jaren zie ik steeds vaker een jong publiek. Wat dat betreft kan je zeggen dat ook de original hardcore in de lift zit. Voor die mensen is original hardcore iets nieuws. Ze komen voor die specifieke sound, maar dat betekent niet dat je alleen maar tracks uit de jaren negentig hoeft te draaien. Daarom ben ik dat geluid weer aan het maken, en elke nieuwe plaat die ik heb uitgebracht was binnen 24 uur uitverkocht. Op vinyl hè!? Ik ben nu ook steeds meer bezig om mijn kennis wat betreft produceren te delen. Elektronische muziek maken moet niet iets geheimzinnigs zijn, zoals het vroeger was. Ik zet nu regelmatig een camera in mijn studio, leer het je met liefde. Of ik tracks zou kunnen maken met Gabber Eleganza en Know V.A.? Tuurlijk, waarom niet? Hoe meer nieuwe muziek, hoe beter.’’

Met een dikke dankjewel aan Martin Savelkoel, die al het hierboven afgebeelde beeld naar ons opstuurde (en onlangs een Ruffneck boek uitbracht)