Dekmantel en Katharsis: hoop in bange festivaldagen

Hoe blijf je als gevierd festival relevant? Het is de belangrijkste vraag voor Dekmantel, dat zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot het beste zomerfestival van Nederland. Dat er wordt geïnvesteerd in de toekomst, werd vorige week vooral zichtbaar in het puntgave concertprogramma op donderdag, terwijl in het Amsterdamse Bos de primeur van een nieuwe stage, de UFO II, een kleine, zwetende ravebunker achter het hoofdpodium, een sensatie was. Hopelijk beseffen ze bij Dekmantel dat ze qua programma makkelijk nog een versnelling hoger kunnen. Bij Katharsis snappen ze dat al lang.

Deze zomer noteerde ik slechts twee Nederlandse festivals in mijn agenda. Strange Sounds From Beyond is een welkome frisse wind, Dekmantel Festival een zekerheidje. Met twee grote kruizen voor de enige buitenfeesten waar muziek en niet de kermis er omheen leidend lijkt te zijn, ziet mijn binnenlandse festivalkalender er bedroevend leeg uit. Muziekliefhebbers laten Nederlandse festivals, die verworden zijn tot nationale attracties, steeds vaker links liggen.

Ik ging vier dagen achter elkaar naar Dekmantel, maar het programma van Katharsis was zo goed dat ik op vrijdagnacht moést gaan. Als ik tegen de taxichauffeur zeg dat we naar een ‘rave’ op een industrieterrein in Amsterdam-West willen roept hij verbaasd: ‘‘Wauw, dat woord heb ik lang niet meer gehoord, een rave!’’

Katharsis is een festival uit de koker van Reaktor, de organisatie die naam maakte met solide technofeesten waar de laatste jaren de sjeu een beetje vanaf was. Daar zit een gekke discrepantie, want de Reaktor-community bestaat uit een hartstochtelijke groep techno-idioten, voorlopers en nerds die weten waar de muzikale vernieuwing binnen ‘hun’ genre zit. Mooi wel, zo’n club ultra’s die zich niet laat leiden door wat op dit moment populair is, maar nu al luistert naar artiesten waar het gros van het techno-publiek zich over een jaar of twee pas aan waagt. Die passie en nieuwsgierigheid als het gaat om nieuwe muziek is inspirerend, want wie denkt dat techno een vierkwartsmaat behoeft komt na het zien van de Kartharsis line-up bedrogen uit.

Kartharis is een rave op twee achtereenvolgende nachten. In de legendarische pakhuizen van de Amsterdamse Elementenstraat presenteert Reaktor een allesbehalve oldschool programma, met muzikale vernieuwers als Peder Mannerfelt, Lee Gamble en J-Zbel op het affiche, dj’s, live-acts en visueel kunstenaars in wiens werk een gemene deler zit: het is compleet compromisloos.   

 Want dat is precies wat Katharsis is, een snoeiharde rave zoals dat soort nachten horen te zijn. Je komt er om je benen onder je lijf vandaan te rammen, om tussen de massieve pilaren en onder een gigantisch betonnen dak snoeihard te gaan. Op een rave als Katharsis word je herinnerd aan wat er ook alweer zo tof aan club-, of beter: ravecultuur is. Je wordt er niet alleen muzikaal, maar ook qua ambiance door elkaar geschud en komt na een nacht zweten gesloopt maar vol positieve energie thuis.

Wat dat betreft vertoont Kartharsis gelijkenis met gabbercultuur. Op de Elementenstraat hangt een herkenbare sfeer van verbroedering, omdat er een soort gemeenschappelijk doel in de lucht hangt: samen onder een golf van energie en experimentele maar dansbare techno, rave, jungle en vertraagde hardcore duiken.

De nieuwe, gouden greep van Dekmantel heeft wel iets van Kartharsis weg. De UFO II, het kleine, meer experimentele broertje van de grote techno-tent (UFO I) is de Elementenstraat in het klein. Donker, warm, vol rook en stroboscopen. Het geluid is er, net als op het hele festival trouwens, strak, hard en gelaagd. Hier geen dagjesmensen maar muzieknerds die komen voor een paar van de spannendste boekingen van het weekend.

Ze worden op zaterdag met Errorsmith op hun wenken bediend. De Duitser (echte naam Erik Wiegand) is een veteraan die door de iconische Berlijnse platenzaak Hardwax op hun feesten jaarlijks voor een dub-set wordt geboekt, maar als Smith N Hack een paar van de meest progressieve elektronische dansplaten ooit heeft gemaakt. In 2017 bracht hij op PAN een fenomenaal album uit waar afrobeat in een digitale mal wordt gegoten, en acid in jungle-ritmes je oren in trillen. Die lijn trekt hij in zijn live-set op Dekmantel moeiteloos door. De UFO II klapt uit elkaar van hitte én energie, en als de laptop van Wiegand het vijf minuten voor het einde van zijn set begeeft, wordt de stilte door het publiek met een oorverdovend applaus weggejoeld.   

''Je voelt wanneer een clubavond of festival wordt geprogrammeerd door muzieknerds''

Errorsmith, Karen Gwyer, Fixmer & McCarthy, Elena Colombi, Xosar: allemaal vind je ze dit weekend op Dekmantels kleinste maar meest geslaagde podium. Ze maken het randje van het Dekmantel-affiche net iets scherper, want ook als gerenommeerd festival moet je jezelf opnieuw uit blijven vinden.

Toen heel clubbend Nederland aan de minimal techno zat, braken de jonkies van Dekmantel een lans voor muziek waar je iets meer swing in je heupen voor nodig hebt. Tegen alle trends in gaven ze soulvolle en warme elektronische muziek uit voornamelijk Detroit een podium. Het was destijds voor mij verfrissend om te zien, en dat is ook waarom ik ze altijd enorm heb gewaardeerd. Je voelt wanneer een clubavond of festival wordt geprogrammeerd door muzieknerds in plaats van handige marketingmensen.

Misschien dat ik Dekmantel daarom strenger beoordeel als het gros van de Nederlandse zomerfestivals, daar verwacht ik simpelweg niet zoveel van. Ik vind en hoop namelijk dat Dekmantel in de UFO II en op de donderdag heeft gezien dat het avontuurlijker kan. Dat je niet altijd een lineaire programmering nodig hebt maar dat bijvoorbeeld een concert van een Suzanne Ciani of een ambient-sessie het tempo in het Amsterdamse Bos kan resetten. Of dat een Pan Daijing je even uit je comfort zone kan trekken, om daarna met een andere energie de rest van de avond in te gaan, zoals op donderdag tijdens de concertavond. Een timetable kan net zo goed een golfbeweging in plaats van een stijgende lijn maken, waarbij het tempo en de intensiteit soms een tandje omlaag moet, om er daarna weer twee bij te kunnen schakelen. Op die manier hoef je niet vijf dagen lang voluit te gaan.

Bij de Dekmantel-concerten lukt dat al wel en de donderdag is mede daarom een absoluut hoogtepunt. Het is onmogelijk om op dezelfde dag al je favorieten van je must-see lijst te strepen, omdat er simpelweg te veel valt te kiezen. In de Shelter brengt Unit Moebius de zaal in hypnose met harde, loop-achtige techno, terwijl in het Muziekgebouw Yasuaki Shimizu een subtiel elektronisch jazzconcert speelt. Pan Daijing maakt dat het Bimhuis een uur lang de adem in en de kaken stijf op elkaar houdt. Op het snijvlak van performance en concert heeft ze een uniek discours ontwikkeld waar moderne dans, kopstemzang, intense geluidscollages en hardcore kicks samenkomen. Actress laat daarna in de grote zaal van het Muziekgebouw zien nog altijd een fenomeen te zijn. Met een soort een jetpack op zijn rug betreedt hij het podium met daarop een sloot aan digitale machines, om er vervolgens een bak schitterende onnavolgbare herrie uit te toveren.

Op vrijdag verplaatst het festival zich drie dagen lang naar het Amsterdamse Bos, en mis ik dankzij Upsammy meteen twee persoonlijke favorieten. Het idee was om naar Elena Colombi te gaan en een stukje Daniele Baldelli mee te pakken, maar Thessa Torsing (echte naam) uit Utrecht maakt dat we anderhalf uur lang in de brandende zon bij de Red Light Radio-stage hangen. Dat ze een uniek talent als producer is wist ik, dat ze minstens net zo goed is als dj had ik live nog niet eerder meegemaakt. Haar set is traag en zit vol met polyritmische Oosterse percussie en Amon Tobin-achtige digitale soundscapes. Minstens de helft van haar platen lijkt op half tempo te worden afgespeeld, en zit met lange, ingewikkelde overgangen ingenieus in elkaar.

Goed om te zien dat het Nederlands talent dat zich aandient moeiteloos met de gevestigde namen mee kan. Upsammy maakt indruk, Mark Knekelhuis & Merel draaien samen op zondag een van de tofste dj-sets van het festival, Parrish Smith is dit weekend een van de allerbesten. Op donderdag had Stefan Chin-Kon-Sung (echte naam) een aandeel in het Re:vive-programma in Eye, waarin producers beeldmateriaal uit het enorme archief van het Instituut voor Beeld & Geluid in Hilversum van een soundtrack voorzien. Het werk wat daar uitrolt is verbluffend goed. Belangrijk ook, omdat dit soort projecten laat zien dat elektronische muziek zoveel meer is dan dansen op wat beats. Prachtig zijn de geluidscollages van Upsammy, Jordan GCZ en Suzanne Kraft. Eén soundtrack springt eruit en dat is die van Smith. In filmmuseum en Dekmantel-concertlocatie Eye vertelt hij na de filmvertoning hoe hij een dergelijk project aanpakt, en ook dat inspireert. Eerst koppelt Re:vive beeldmateriaal aan artiest. ‘‘Vervolgens doe ik mijn huiswerk,’’ zegt Smith. ‘‘Wie heeft de film gemaakt, wat waren zijn motieven, wat voor ander werk heeft hij gemaakt. Zo probeer je context te krijgen voordat je überhaupt een noot hebt gespeeld.’’

''Kijk bijvoorbeeld naar The Bug, een artiest die ondanks zijn veteranenstatus wel feilloos aanvoelt hoe je een dansvloer fris houdt''

Volgens mij is bovenstaande essentieel voor een interessant en duurzaam kunstenaarschap. Kunst maken is eigenlijk weinig anders dan voortdurend onderzoek doen, je afvragen wat het is wat je doet, waarom je het doet en hoe zich dat verhoudt met de wereld om je heen. Mijn punt? Wat ik bij Parrish Smith zie is precies dat wat het gros van de meest interessante artiesten op Dekmantel dit jaar ook doen. Ze dagen zichzelf, en daarmee dus ook hun publiek uit. Op zondag laat Smith in de UFO II horen dat hij, zo jong nog, niet alleen als producer maar ook als dj een eigen sound vol karakter heeft. Het is een soort big room trance met kolossale kickdrums maar zonder de cheesy hooks. Zwaar, hard én heel dansbaar.

Parrish Smith is kortom nog zo’n bewijs dat je die zogenaamde headliners best wat vaker achterwege kan laten. Dekmantel heeft inmiddels zoveel krediet opgebouwd dat je de Four Tets en Floating Points, of een Jamie XX, die op zondag een belediging voor het Selectors-podium is, misschien wel helemaal niet meer hoeft uit te nodigen. Natuurlijk is het razend knap wat ze voor clubcultuur hebben gedaan, het interessant en behapbaar voor een groter publiek maken, maar als je bijdrage daar stopt is dat je failliet als kunstenaar. Ze herhalen een trucje omdat het ‘werkt’ wanneer je het de eerste paar keer hoort, maar daarna ga je mensen onherroepelijk kwijtraken. Dan liever een Upsammy op het Selectors-podium, waarom niet?   

Of kijk bijvoorbeeld naar The Bug, een artiest die ondanks zijn veteranenstatus wel feilloos aanvoelt hoe je een dansvloer fris houdt. Met rave, ragga, grime, dub en snoeiharde noise laat hij op zondag The Green House uit elkaar klappen op versterkers die hij zelf aan het geluidssysteem toevoegt en pontificaal op het podium plaatst.

Als middelgroot festival (in het Amsterdamse Bos gemiddeld zo’n bezoekers 11.250 per dag) dat niet van subsidies leeft, moet je slimme keuzes maken. Ik gok dat ze bij Dekmantel denken dat ze met alleen maar Errorsmiths en Upsammy’s niet genoeg kaarten verkopen. Natuurlijk heb ik makkelijk praten, maar ik gok dat het van vrijdag tot en met zondag nóg spannender kan. Dat het verjaarde geluid van Orbital definitief in de hall of fame kan worden bijgezet, en er elke avond een Helena Hauff de mainstage af kan sluiten.

Maar ik heb me dankzij Pan Daijing, Errorsmith, The Bug en Actress verbaasd over de eindeloze rek die er in deze muziek zit. Over het prachtige Dekmantel-programma in al die zalen rond het IJ, over de intentie om te blijven vernieuwen die er afgaande op de UFO II wel degelijk is. Ik zet alvast twee grote kruizen in mijn festivalagenda van 2019. Een lang weekend Dekmantel met tussendoor een avondje raven bij Katharsis.