Waarom we schaamte op de dansvloer moeten koesteren 

‘‘Als je danst zie je er belachelijk uit. Als je niet danst zie je er belachelijk uit. Dus je kan maar beter dansen.’’ Op een dansvloer praat ik vaker dan me lief is hardop tegen mezelf. Zie je me daar stotteren dan prevel ik waarschijnlijk bovenstaande waarheden, geleend van de Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein. Je herkent me op zo’n moment óók aan een schichtige houding. Mijn lichaam krom als een augurk, een voet die trillend in de maat probeert te tappen.

Dat het een absoluut privilege is om ieder weekend op een dansvloer te kúnnen staan, lijkt me evident. Want wie danst, écht danst, lost voor even op in de tijd. Vijfendertig ben ik inmiddels, maar er zijn nog altijd momenten waarop ik besef dat er, ergens diep van binnen, een plek zit waar ik nog kind ben. Zodra ik de loodzware geluidsdichte deuren van de club openzwaai en een dansvloer oploop, draait mijn maag zich om. Een gevoel dat ik nog ken van die keer dat ik voor het eerst van de hoge in het diepe dook. Onzeker over wat gaat komen, nieuwsgierig naar de kick waarvan je hebt horen zeggen dat-ie bestaat. 

Op de beste momenten hangt je lijf op de dansvloer in de muziek als een Ferrari in een bocht. De zalvende werking van de bas die tegen je borst bromt. De uitwisseling van begrijpende blikken met je buren in de break van de beat. Een glimlach, een knikje, soms het schudden van handen, een omhelzing zonder woorden. Wanneer die trillende voet de maat vindt, je nek soepel als een springveer mee begint te walsen weet je: hier begint de trance. Op de perfecte clubnacht verheft niet alleen je geest maar ook je lichaam zich klapwiekend van de vloer.    

''Uitgaan hoeft niet per se ‘gezellig’ te zijn, en wordt pas interessant wanneer het de categorie ‘entertainment’ overstijgt''

De club is een plek waar ik nieuwe energie vind, effectiever dan alle yogaklassen bij elkaar, leerzamer dan de meest boeiende colleges. Op de dansvloer leerde ik mijn allerbeste vrienden kennen. Dankzij de dansvloer heb ik een bestaan als muziekjournalist op kunnen bouwen. Dankzij de dansvloer ben ik met mijn huidige partner. Op de dansvloer ervaar ik hoe vrijheid voelt. Je waant je onderdeel van een gemeenschap, van iets groters. En zo zeker als het is dat de nacht ooit eindigt, zo zeker weet je ook dat je een week later terug kan naar de plek die je het vertrouwen geeft om de wereld met opgeheven hoofd tegemoet te treden. 

De Dikke Van Dale schaart ‘schamen’ toepasselijk genoeg onder de wederkerende werkwoorden. ‘‘Zich verlegen en onbehagelijk voelen: zich over (of: voor) iets of iem. schamen.’’ Altijd is er bij mij een moment van aarzeling, zie ik mezelf vanuit een drone op die dansvloer staan. Altijd duurt het even voordat ik me herinner waar die deur richting vervoering ook alweer zit, terwijl ik o zo goed weet wat er gebeurt zodra ik mezelf niet langer door de ogen van De Ander bekijk. Halleluja. 

De schaamte wordt grotendeels gevoed door een onredelijke portie zelfbewustzijn. Precies dat maakt dat ik eerst op mezelf in moet praten voor ik de veilige zijlijn los kan laten. Er nestelen zich, of ik nou wil of niet, ogen in mijn achterhoofd. Ogen die waarnemen dat er continue iemand beter danst dan jij. 

Want of je nou in de plaatselijke feestzaal staat of in een club waar geen streep daglicht naar binnen valt: ze zijn er altijd. De dansers met elastieken benen. De dansers met de élégance van Grace Jones. De dansers met een choreografie die Pina Bausch had kunnen schrijven. De dansers met een gezicht waar de zon uit lijkt te stralen. De dansers die totaal niet worden gehinderd door weifelende buren. Statische sukkels. De dansers die zich zo comfortabel voelen dat ze schoenen en ach ja, kan hun het verdommen, sokken uit hebben gedaan. En daarnaast sta ik. Augurk. ‘‘Als je niet danst zie je er belachelijk uit.’’

Dansen en clubcultuur gaan voor mij niet over escapisme. Het cliché van de zaterdagavond waarop je alle zorgen vergeet: ik vind het een farce. Uitgaan hoeft niet per se ‘gezellig’ te zijn, en wordt pas interessant wanneer het de categorie ‘entertainment’ overstijgt. Lena Willikens, dj en visueel kunstenaar en wat mij betreft een van de allergrootsten van haar generatie, omschrijft het zo: ‘‘Het gaat om het specifieke moment dat je samen ervaart. Een goede clubnacht is als een unieke collectieve gebeurtenis. Je publiek een fijne tijd laten ervaren is niet waar ik het als dj voor doe.’’ Het gaat Willikens juist om het aanwakkeren van emoties die maar moeilijk te bevatten zijn. Je mag je er, vind ze, zelfs ongemakkelijk bij voelen. Op een goed avondje dansen ervaar je onzekerheid én euforie, angst én liefde. Een goed avondje dansen is kortom een metafoor voor het leven zelf, inclusief alle tering, inclusief al het geluk.

‘‘Ik zou alleen in een God geloven die weet hoe je moet dansen’’, noteerde Nietszche ooit. In de schitterende film Pride (2014) is acteur Dominic West die vleesgeworden god. West speelt, naar waargebeurd verhaal, een flamboyante homoseksueel. Samen met andere gays zamelt hij geld in voor de mijnwerkers in Wales, die omwille van het ijzeren regime van Margaret Tatcher in 1984 in staking gaan en bijna verhongeren. Wanneer de vakbondsvoorzitter West en zijn LGSM’s (‘Lesbians and Gays Support the Miners’) uitnodigt om ze te bedanken, stuit dat bij de stugge mijnwerkers op weerstand. In het buurthuis draait de dj plaatjes, de vrouwen staan als enige op de dansvloer, mannen hangen ongeïnteresseerd aan de bar. ‘‘Dit is de eerste keer dat er een man op de dansvloer staat’’, kirt een van de dames tegen West. Hij: ‘‘Ze weten niet wat ze missen.’’ West fluistert de dj een verzoeknummer in, zwiert zijn kwikzilveren heupen over de vloer. De eerste baslijnen van ‘Shame, Shame, Shame’ van Shirley & Company priemen amper door de speakers of West heeft met zijn slangenlijf de halve zaal al mee. De mannen weten niet wat ze meemaken. Beteuterd hijsen ze aan hun bier, jaloers op die gast die doet waar ze allemaal al jaren van dromen: dansen met het mooiste meisje achter de bar. Nooit werd beter in beeld gebracht wat dansen vermag: het verzet breken. Zodra West op de lange biertafels springt om tussen de pints omklemt door knoestige werkhanden zichzelf compleet te laten gaan, gooit zelfs de meest conservatieve mijnwerker even het harnas af. De danser ontwapend. Je hoeft slechts naar hem te kijken om zijn energie te kunnen registreren, om net als hem te zweven.

Vaak is het verleidelijk om passief aan die zijlijn te hangen. Niemand verwoordde dat gevoel zo treffend als de Portugese dichter Fernando Pessoa . ‘‘Wie in de balzaal aan de kant staat, danst met alle dansers. Hij ziet alles, en omdat hij alles ziet, beleeft hij alles. Daar alles uiteindelijk een gewaarwording van ons is, is het contact met een lichaam net zoveel waard als het zien ervan, of zelfs de eenvoudige herinnering eraan. Ik dans dus als ik zie dansen. Zoals de Engelse dichter die vertelt hoe hij, liggend in het gras, uit de verte naar drie hooiers keek, zeg ik: er is nog een vierde man aan het hooien, en dat ben ik.’’

De meesten van ons ervoeren ooit wel eens de vervoering die een dansvloer kan bieden. Probeer ’t eens. Graaf in je geheugen, ook al heb je in geen jaren meer een dansvloer gezien. Wanneer danste je en was je intens gelukkig? Is het een universeel genot? De euforie van de overgave, die tijdelijke bubbel van schaamteloosheid. Extase is volgens mij een van de meest prettige stadia waarin een mens zich kan bevinden, zowel geestelijk als lichamelijk. Alsof een shot statische elektriciteit vanuit je stuitje langs je ruggengraat richting nekvel schiet. Zalig.

Dansen is, net als schrijven, denken, een zeetanker besturen, augurken kweken of een supermarkt managen, een metier waarin je je kan bekwamen. En zoals bij ieder vak geldt ook hier: hoe meer uren je maakt, des te routineuzer je wordt. Zoals een binnenvaartschipper leert omzich behendig door een sluis te manoeuvreren, zo leert de danser zich bewegen in een club. Zelfs wanneer je schaamte voelt.

Er zijn een aantal basisvoorwaarden. Allereerst is de positie op de dansvloer essentieel. Ga midden in de sweet-spot staan, ook al voel je je als een theezak in lauw water. Om de sweet-spot te vinden laat je twee denkbeeldige lijnen van de zijkanten van de dj booth in een punt samenkomen. Je tekent als het ware een omgekeerde driehoek, een voorrangsbord. In het onderste puntje van je voorrangsbord wil je zijn. Hier bundelt zich het geluid van de linker- en rechterspeaker, en op een beetje dansvloer ook die van de boxen boven, achter en onder je. Het geluid is hier niet alleen het zuiverst, het klinkt (als het goed is) ook het volst. Bovendien heb je hier het minst last van kleppende, extase ondermijnende stoorzenders. Vermijd ze, maar mochten ze toch in je buurt staan, maak ze dan vriendelijk duidelijk dat je last van ze hebt. Dat doe je niet door wegwerpgebaren te maken, meewarig het hoofd te schudden of te schreeuwen of ze alsjeblieft op kunnen donderen, nee, zeg zo kalm en vriendelijk mogelijk: ‘‘Sorry, maar ik kan me moeilijk op de muziek concentreren als jullie hier zo gezellig staan te kletsen.’’ Je zal zien dat het werkt. (Bovendien kan je deze tactiek in allerlei situaties toepassen, bijvoorbeeld in een stiltecoupé waar iemand muziek op hoog volume met de publieke ruimte deelt: ‘‘Sorry, maar ik kan moeilijk werken als uw muziek zo hard staat.’’ Echt, het werkt, maar dat terzijde).    

Twee: leer kijken naar de mensen om je heen. Wie schaamteloos wil dansen moet subtiel kunnen observeren, sterker nog: dansen is kijken. Iedereen kan vanaf de dansvloer zien dat de dj de bas uit de muziek filtert door aan een knop op de mixer te draaien; alleen de getrainde observator taxeert de grimas wanneer hij of zij die bas er weer indraait, ziet het lichte hupje in de heupen, de mond die even opengaat, als een vis die naar een dobber hapt. Aan die onzichtbare dobber hangt dat waar dansen voor een groot deel over gaat: wederzijdse energie. Energie die je op kan zuigen, maar door te dansen ook retour kan doen aan de mensen, de dj, de dansers om je heen.

Drie: doe de pinguïn, een dans die zelfs de grootste hark beheerst. Het is mijn persoonlijke routine, een beweging waar ik op terugval zodra ik het even niet meer weet. Simpeler kan niet. Maak het je nóg makkelijker door in één hand een drankje vast te houden: winst voor armen en handen, hoef je voorlopig niet na te denken over wat je daar in godsnaam mee moet doen. Af en toe een slok, bierfles of wodkaglas afwisselend in linker- of rechterhand, ritmisch met je vingers op de flessenhals tikken alsof je het alle dagen doet, hupsakee. Nu de benen. Breng je gewicht naar het rechterbeen, breng je gewicht naar het linkerbeen. Doe dit op het tempo van de beat, tats-tats-tats. Zodra je voelt dat je schouders mee opzij willen: laat gáán! Breng steeds een beetje meer gewicht op elk been en óóóóh! Je voet verlaat vanzelf de vloer! Tats! En nog eens! Tats! Daar is het! Tats! Doorgaan nu! Tats! Je danst! Tats! Gewicht op het linkerbeen, rechtervoet van de vloer, gewicht op het rechterbeen, linkervoet van de vloer. Herhaal. Wie zeker van zijn of haar zaak is, zet nu het drankje aan de kant, begint met de handen in de lucht te draaien als een Turbo Polyp op de Tilburgse kermis. Graaien in het luchtledige mag, zolang je armen, benen en handen maar binnen je eigen draaicirkel blijven. Want dansen is ook: respect voor de ruimte van de ander. Essentieel. Tats!   

Door steeds weer hetzelfde patroon te volgen, avond na avond als een waggelende maar vastberaden pinguïn die sweet-spot op te eisen, creëer je in je hoofd langzaam maar zeker ruimte voor andere, troostrijke gedachten. Ieder waggelend pasje is een overwinning op jezelf. Telkens wanneer je linker- of rechtervoet de vloer verlaat, voelt die beweging natuurlijker, masseer je knopen zelfbewustzijn uit je lijf. 

Afgelopen zomer, dag drie op een festival net buiten Milaan. Mijn benen voelen zwaar, melkzuur giert door de kuiten, mijn hoofd zoekt naar de inwendige schakelaar die maakt dat ik nog even dóór kan dansen. Slaaptekort, lichamelijke en geestelijke vermoeidheid, de kater van drie opeenvolgende dagen en nachten ‘collectieve ervaring’. Op dat soort momenten ben je op je kwetsbaarst, neemt je zelfbewustzijn epische proporties aan. Dan bieden enkel grootmeesters soelaas, dj’s die feilloos aanvoelen wat het publiek nodig heeft, én de ervaring en klasse hebben om daarop in te spelen. Enter dj Andrew Weatherall.

Aan het decor ligt het sowieso niet, dat valt een-op-een te dubbelen met de backdrop van Il Gattopardo, inclusief klassiek paleis omrand met frontons en eierlijsten. Ik doe de pinguïn, in elke hand een drankje. ‘‘Het lukt me niet om te dansen’’, roep ik, enigszins radeloos naar mijn vrienden. ‘‘Het voelt alsof iedereen me aan zit te staren.’’ R. legt zijn armen op mijn schouders, begint te lachen, schud me zachtjes door elkaar. ‘‘Eelco, dat zit echt alleen maar in je eigen hoofd. Je ziet jezelf door de ogen van De Mensen, maar kijk nou eens, die mensen zijn echt met iets heel anders bezig dan met jou overigens perfecte imitatie van een ietwat treurig ogende, kromme pinguïn.’’       

Ik loop van de dansvloer af. Aan de rand van het festivalterrein stroomt een kraakheldere beek. Ik trek sandalen en T-shirt uit, ga op mijn kont op de bodem zitten, laat het koude water tegen mijn brandende rug klotsen en herhaal hardop de woorden van R.: ‘‘Het zit allemaal in je eigen hoofd.’’ Ik glimlach om mezelf, zie wat mensen aan de waterkant bezorgd mijn kant op kijken, zwaai dat het allemaal goed is en denk: nu is die schaamte weg. Pas later begreep ik dat schaamte nooit weg is, het is er soms alleen heel even niet. 

''Het is oké om je slecht te voelen, jezelf in de weg te zitten, angstig te zijn''

Wie zich focust op het verminderen van angst, op het reduceren van zelfbewustzijn, laat minder ruimte om te observeren, te voelen, te ervaren, te verwerken. Wanneer je bezig bent met verwachtingen van de mensen om je heen, doe je jezelf tekort. Als je naar de club gaat voor De Perfecte Collectieve Ervaring, zoek je naar iets dat niet bestaat. Denk op zo’n moment aan Lena Willikens. Het is oké om je slecht te voelen, jezelf in de weg te zitten, angstig te zijn. Niemand voelt zich altijd honderd procent comfortabel, zelfs niet op de meest euforische dansvloer. Laat die schaamte maar wederkerig zijn, verzoen je ermee, dans.

Draai het op die dansvloer eens om: hoe vaak stoor je je aan je dansende medemens? Wanneer lach je om hoe een ander beweegt? Van vertedering of bewondering wellicht ja, maar buiten dat denk ik dat het antwoord op allebei die vragen ‘bijna nooit’ is. Want we bewonderen elastieken benen, maar dat is nou juist het punt: je hebt geen elastieken benen nodig om te kunnen dansen. Dansen is geen competitie. Ook al beweeg je je op de dansvloer als een aap, je danst! Niemand kan voorschrijven hoe jij moet dansen. Niemand kan bepalen wat goed of fout is. Zolang je je mede-dansers niet tot last bent, mag je op de dansvloer de meest ingewikkelde capriolen uithalen, of je bewegingen juist zo klein houden dat alleen de geoefende kijker ze zien. Dans zoals je wil dansen. Tats.

‘‘Als je danst zie je er belachelijk uit. Als je niet danst zie je er belachelijk uit. Dus je kan maar beter dansen.’’ Die woorden van Gertrude Stein , ze gaan denk ik uiteindelijk niet over dansen, maar over het leven zelf. Want laten we verdomme toch vooral blijven proberen. Wanneer je probéért voel je soms, ook al is het maar heel even, dat water tegen je rug klotsen terwijl de zon je vol in je gezicht schijnt. Als we altijd zonder schaamte zouden zijn, zouden we geen idee hebben hoe schaamteloosheid voelt. Als we altijd zielsgelukkig zouden zijn, zouden we geen idee hebben hoe euforie voelt. Geluk is net als schaamte nooit helemaal weg, het is er soms alleen heel even niet. Dus je kan maar beter dansen.