Ontmasker de dj!

Afgelopen zomer draaide ik op het Rotterdamse Blijdorp Festival, een sympathiek ‘dance’-evenement in het park. Niet te groot, niet te plat, en op een steenworp afstand van mijn huis. Een thuiswedstrijd zogezegd. Er waren diverse podia, in het midden van het terrein lag een soort pleintje met daaromheen een aantal tipi’s die door lokale platenlabels werden uitgebaat, elk hun eigen ‘niche’ vertegenwoordigend. Ook ik en mijn Clone-collega’s hadden zo’n indianentent. Koelkastje met bier achter de booth, knop van de rookmachine binnen handbereik, niet te moeilijk allemaal, we waren er vooral voor de gezelligheid.

Het voordeel van dit soort festivals is dat ze overdag zijn, zodat je braaf voor twaalven in je nest kan liggen en de rest van je weekend niet meteen naar de knoppen is, ouwe lul die ik ben. Ondanks mijn liefde voor de muziek en het dj-vak stap ik tegenwoordig vaak met een dubbel gevoel de arena in. Want wat is nu nog precies de betekenis van de hedendaagse dance- en festivalcultuur?

Misschien ben ik te romantisch, maar de ‘houseparty’ verwees voor mij altijd naar een verboden plek waar zowel het mystiek-rituele als het futuristische samenkwamen. Hier werden op het vernieuwende ritme van machinedrums taboes doorbroken en kon je je spiritueel, sociaal of zelfs seksueel bevrijden. Soms vraag ik mij af welk type bevrijding er nog te halen valt op feesten waar Mark Zuckerberg meer invloed op de line-up heeft dan de organisatoren zelf. Maar goed, op het Blijdorp-programma kon ik weinig tot geen cliché-artiesten ontdekken, dat was alvast de winst. Bovendien is nostalgie een slechte raadgever, en wie weet wat voor onverwachts vandaag nog in petto zou hebben.

‘‘Het is een misverstand dat dansen per se leuk moet zijn’’

Hoe dan ook moet ik eerst altijd een paar drempels over. De transformatie van calvinistisch burgerman naar hedonist gaat bij mij niet zonder slag of stoot. Bovendien scoor ik nogal hoog in het ADD-spectrum waardoor het door mijn prikkel-overgevoeligheid altijd even duurt voordat ik ingedaald ben. Na eerst een uur onrustig en een tikje autistisch rondgedoold te hebben, begon ik me langzaamaan al wat minder te storen aan de kakofonie van gejoel en verschillende muziekstijlen. Ook sociaal ging het zoetjesaan beter, al zal smalltalk altijd een probleem blijven.

Nieuwe en oude bekenden druppelden binnen, en hé kijk nou, zelfs de buren zijn er! Gezellig. Al werd mijn vermoeden dat het hedendaagse festival in essentie weinig van de gemiddelde vrijdagmiddagborrel verschilt wel enigszins bevestigd.

Op de mainstage kabbelde de tech-house braaf uit de speakers, zoals tegenwoordig meestal het geval is. Het schijnt dat de hedendaagse jeugd steeds minder neukt; ik snap wel waarom. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Al te radicale muziek brengt de mens maar op rare ideeën, dat hebben we in de twintigste eeuw al vaak genoeg gezien, en de tijden zijn vandaag de dag al zo oververhit. Anderzijds kun je je afvragen of de gezapige status quo van vandaag de dag niet precies datgene is wat de machthebbers in de kaart speelt, en of de rebellen van weleer inmiddels niet vervangen zijn door gedresseerde aapjes die braaf door de neoliberale hoepel springen.

Hoe dan ook, persoonlijk houd ik wel van iets meer frictie en gevaar in de muziek. Ik stam immers nog uit de tijd dat burgertrutten en christen-evangelisten op televisie paniekerig waarschuwden voor de gevaren van housemuziek en haar verborgen duivelse boodschappen. En zo hoort het ook. Het aantrekkelijke van de stroming lag destijds grotendeels in haar subversieve, gezagsondermijnende karakter besloten. Het idee dat de dj een boodschapper van Satan is heeft mij dan ook altijd erg geïnspireerd.

Omdat ik me in de tijd had vergist moest ik in reuzensprint naar de tipi om het draaischema niet al teveel in de soep te laten lopen. Dit werkte blijkbaar aanstekelijk, want in mijn kielzog volgden niet alleen vrienden en bekenden, maar ook de nodige nieuwsgierige aagjes, en nog voordat ik begonnen was stond de tent vol. Het was een klein tentje weliswaar en zonder schijnwerpers, maar zo heb ik het graag. Ik opereer het liefst in de schaduw, wachtend, loerend, onopgemerkt: het uitdrijvingsritueel kon beginnen.

Het is een misverstand dat dansen per se leuk moet zijn. Nee, dansen doen we om de geest te openen en de demonen eruit te knuppelen (of juist erin), en om de mythologische, interculturele band met onze voorouders te eren. Linksom of rechtsom, één met de kosmos word je niet zonder pijn te lijden, en om magie optimaal te laten gedijen moet je soms over het randje. Voor straf ging de zweep erover, niks geen laat-ik-mijn-mail-maar-even-checken-techno dus. Al gauw dook men als vliegen op de met een randje mystieke rave afgetopte technostroop die in dikke klodders uit de tipi droop, en alras openden zich de chakra’s. Afro-Amerikaanse spiritualiteit gedrenkt in Europese cyberpunkmarinade, halleluja.

Na mijn set kreeg ik iets kleins in mijn hand gefrummeld. Oh, o jee. Echt? Een half xtc-pilletje? Die zag ik niet aankomen. Met zijn linkeroog in zijn broekzak en zelfverzekerd glimlachend keek mijn neef me aan: verzet had geen zin. Nu moet u weten dat, sinds ik een brave huisvader ben, de keren dat ik mij bezondigd heb de afgelopen tien jaar op drie vingers te tellen zijn. Nou ja, op vier dan.

Dus ach, kan mij het schelen. Drie keer rollen en ik ben thuis als het moet. Maar doe er nog wat bij, want van te weinig krijg ik altijd van die merkwaardige stemmingswisselingen. Oké nog een kwartje, zo ja. En een nakkie pep voor de zekerheid, want ik heb geen zin om als een zachtgekookt ei in foetushouding op een sofa in de backstage te eindigen, als de eerste de beste amateur slappe gesprekken voerend over gevoelens en zo. Niet teveel hoor, een kaboutersnuifje, want ik wil wel op tijd naar bed vanavond. In gedachten was ik al bij mijn zondagse ochtendkrantje.

Maar het duurde niet lang of de zaken lagen anders. Want precies op het moment dat je je inname eigenlijk alweer vergeten was, zijn daar plots die eerste vlinders in je buik, die warme golven van kosmische energie die vanuit je tenen langs je ruggengraat omhoogtrekken, regelrecht de neocortex in. Ben ik het nu die transformeert, of is het de wereld om me heen? Ogenschijnlijk ligt de boel er nog hetzelfde bij, maar het is alsof Hans Klok persoonlijk de grauwe sluier wegtrekt die blijkbaar al die tijd tussen jou en de wereld hing. Als een soort technoweekdier werd ik met zachte stroomstootjes in beweging gezet. Camera loopt... actie! En weg was ik, onversaagd vreemde horizonten tegemoet tredend.

Wat een reuzegezellig festival was dit eigenlijk. Echt alleen maar superaardige en positieve mensen. Hoe is het toch mogelijk dat Rotterdam zo’n slechte naam heeft? Wat hier gebeurde was een toonbeeld van harmonie, compassie en verdraagzaamheid. Niks geen hooligans of oproerkraaiers. Kijk, daar loopt Ted in zijn zwarte kniekousen! Zullen we een ommetje maken? Het is dat mijn benen in winegums waren veranderd want anders was ik het veld moonwalkend overgestoken.

We kwamen aan bij de mainstage. Een kolkende mensenmassa. Nou ja, kolken, het was meer een gemoedelijk deinen. Hoe kon het ook anders met zulke gemoedelijke muziek. Aan de overkant van de zee zag ik palmbomen. Wat deden we hier ook alweer? Zullen we anders de rest even zoeken? Misschien staan ze aan de overkant, daar bij die palmbomen!

Normaal gesproken sta ik nog liever in de rij bij de Lidl dan dat ik me door een dansende mensenmassa moet wurmen, maar de mentale barrières die ons in het leven van alledag doorgaans zo belemmeren waren als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik was in proactieve modus, en de mensenmassa trok aan me zoals de Rode Zee aan Mozes trok. ‘‘Volg mij maar!’’ In tegenstelling tot bij Mozes week de zee hier voor geen ene millimeter, maar ik was vastberaden en vol goede moed. Als een met sociaal glijmiddel ingesmeerd slangenmens gleed ik door de menigte. Heerlijk, al die warme lichamen. Lichaamscontact is heel belangrijk voor een gezonde samenleving. Klappie op de schouder hier, knipoogje daar. Tingeling! Hier komt de ijscoman.

‘‘Korte maar met oprechte diepgang en interesse gevoerde gesprekjes losten elkaar soepel af. Sick. Nice.’’

Ik was een verbinder, een bruggenbouwer, een hipster-Jehova getuige surfend op golven van empathie. Als het Hoofd Sociale Controle scande ik de lichaamstaal in mijn omgeving, alert op hulpbehoevenden. Een jongen met zonnebril glimlachte naar me. ‘‘Wil je misschien een slokje water? Nee?’’ Ook goed. Misschien ook een beetje overdreven van me om Jan en alleman voortdurend water aan te bieden. Maar ja, zo gaat dat als de communicatieblokkades in het brein op chemische wijze zijn opgeheven. Waar ik normaal gesproken soms de andere kant opkijk omdat ik even geen zin heb om oppervlakkigheden uit te wisselen met kennis X of Y, was nu het tegenovergestelde het geval. De ander was niet langer een bedreiging die je weleens kon gaan confronteren met je eigen onzekerheden; neen, de ander was mijn medemens, en we stonden zij aan zij.

Waar ik eerder die dag nog gek werd van de kakofonie van geluid leek er nu een kosmische kalmte tussen de tipi’s neergedaald. De eclectische ruis mengde zich met het opgewonden geroezemoes en de zwoelte van de zomeravond sloeg zich als een wollen deken om mij heen. Vanuit het sprookjesachtige mozaïek van schimmen en stemmen dook er telkens weer een ander lief mensenkind naast me op. Korte maar met oprechte diepgang en interesse gevoerde gesprekjes losten elkaar soepel af. Sick. Nice.

De muziek klonk steeds verder weg. Ik bedoel, de muziek klonk helemaal niet meer want het festival was inmiddels afgelopen. Nu al? Ach ja, het was ook wel mooi geweest zo. Megafoons en waterkanonnen waren niet nodig: gelaten en zonder enige vorm van protest accepteerden de feestgangers domweg dat aan alles een eind komt. In een harmonieuze stoet schuifelde het spul gedisciplineerd richting uitgang; geen gekots, geen rondvliegende bierflesjes, geen sirenes. Met een goedkeurend knikje keek ik de jongelingen na terwijl ze uitzwierven over de stad, de nacht in. En wij? Op naar ons warme nestje.

Maar zoals dat gaat komt na de zonde het berouw, en de volgende middag vroeg ik mij, toen ik met een kopje thee op de bank zat af: wat nu te denken van een dag als deze? Was ik er ingetrapt of juist uitgestapt? Was het schijn of zijn? En: wat nu dus te denken van de hedendaagse dance-cultuur, in brede zin? Welk subversief potentieel herbergt zij nog?

‘‘Bring down the walls!,’’ klonk het ooit euforisch uit de kelen van hen die oprecht geloofden in vrijheid, tolerantie en diversiteit. Is de revolutie inmiddels voltooid, of is zij door haar kinderen opgegeten? Is de universele boodschap vervangen door narcistisch agenda-hedonisme, aangedreven door kil en zakelijk druggebruik, en is er van een werkelijk bezield verband in de verste verte geen sprake? Tel daar ook nog eens de verstikkende tirannie van politieke correctheid bij op die ons momenteel opgelegd wordt, en zie hoe de laatste druppels levensvocht definitief uit wat ooit een vitale, spontane en tolerante tegencultuur was geknepen worden, een enkele anarchistische cel daargelaten.

‘‘Is de universele boodschap vervangen door narcistisch agenda-hedonisme, aangedreven door kil en zakelijk druggebruik, en is er van een werkelijk bezield verband in de verste verte geen sprake?’’

Ha! Kijk ze, de vooruitstrevenden! Vanuit hun veilige filterbubbel selecteren ze slechts die onderdelen uit het progressief radicalisme waarmee het makkelijk scoren is, daarmee de werkelijke pijnpunten handig ontwijkend. De grote vragen blijven onbeantwoord, en de maatschappelijke risico’s van hun salonactivisme worden verlegd naar de werkelijk kwetsbaren buiten de festivalmuren, ver uit het zicht. Tussen hun wereldreisjes door rebelleren ze zogenaamd tegen het zielloze systeem, onderwijl datzelfde systeem met hun algoritmisch aangestuurd hedonisme keihard in stand houdend.

En dan al die feesten en festivals, elke week, in elke stad, op afroep beschikbaar, schier oneindig. Je wordt een fysiek en mentaal veilige ruimte binnengeloodst waar alles keurig binnen de lijntjes blijft. Verloop en uitkomst staan van tevoren vast, te vast om nog los te kunnen komen. We zijn al lang niet meer rebels, we spélen dat we rebels zijn! Ik roerde mijn thee nog eens om. Ah, ‘Nazi Mega Structures’ begint zo, mooi.

Of is dit gewoon de cynische blik van een romantische cultuurpessimist en is het juist omgekeerd? House, techno en de mega-festivals vieren inmiddels triomfen in alle uithoeken van de wereld. Geweld en uitbuiting nemen af, vrijheden nemen toe, en wie weet is de huidige conservatieve backlash niets meer dan een laatste stuiptrekking van datzelfde conservatisme. Dus kom, laten we niet te veel kniesoren over die paar cosmetische imperfecties die nu eenmaal inherent zijn aan schaalvergroting. De boodschap is nog steeds hetzelfde. Verwende snobs, dat zijn we!

Toch blijft er dat onbestemde gevoel van onbehagen, en die merkwaardige ironie waarmee ‘de scene’ heden ten dage doortrokken is; het type ironie dat doorgaans als beschermingsstrategie wordt gehanteerd tegen de uitholling van waarden waar je ooit zelf voor stond. Ik analyseerde de situatie opnieuw. Want welke waarden worden hier dan precies uitgehold? En door wie dan wel? Het heeft natuurlijk iets paradoxaals dat uitgerekend de van oorsprong uitdagende en gezagsondermijnende ‘houseparty’ de ultieme bondgenoot is geworden in de wereldwijde verspreiding van het liberaal kapitalisme, waarbij zij feitelijk fungeert als strategie in de battle for people’s minds.

‘‘Het is het lot dat vrijwel elke tegencultuur ondergaat wanneer zij geabsorbeerd wordt door de mainstream en verandert in een verdienmodel’’

In die zin is de boodschap niet meer helemaal hetzelfde. Het is het lot dat vrijwel elke tegencultuur ondergaat wanneer zij geabsorbeerd wordt door de mainstream en verandert in een verdienmodel; de angel wordt verwijderd en de verpakking doorverkocht als inhoud: gevaar geneutraliseerd, welkom in Disneyland.

Het zou mijn eigen schizofrene haat-liefdeverhouding met het vak deels verklaren. Mijn blik viel op mijn platenkoffer die nog steeds midden in de kamer stond. Over zijn rol in dit verhaal hebben we het nog niet gehad. De dj! Want die is natuurlijk de ultieme personificatie van dit al. De nieuwe god, de ultieme superster, de top van de piramide: alles komt in hem samen. De dj is bij uitstek het symbool van het huidig cultureel tijdsgewricht. Wie wil hem (of haar) niet zijn tegenwoordig? Hij hoeft nauwelijks iets meer te kunnen of te doen, behalve verhandelbaar zijn. Het is de ultieme niksheid, de ultieme schijn.

Misschien is het onbehagen dan ook niet zozeer het gevolg van de commercie, maar hebben we hier vooral te maken met de klassieke fout van de spirituele gids die zijn ego op de voorgrond laat treden. Zo komt de boodschapper tussen de boodschap en het publiek in te staan waardoor de kosmische balans verstoord raakt. Onzuivere vibraties! Het verklaart onze ironische reflex. Hoe kunnen we ook anders?

Want kijk ze nou, die geëpileerde gladjakkers. Wát een maniertjes, wát een poeha. Wat staan ze in godsnaam te doen daar op dat veel te hoge podium, wapperend met de handjes, als megalomane, zichzelf fêterende pseudo-grootheden. Wie denken ze wel dat ze zijn? Een nieuw soort Jezus? Welnu, dan stel ik een nieuw soort kruisiging voor. Als je de top van de piramide symbolisch onthoofdt zal dat een louterende werking naar beneden hebben. Want maak je geen illusies: ook wij, de zogenaamde undergrounders zijn in de ban.

Zo bezien is het probleem tevens de oplossing: de dj’s moeten ontmaskerd, en diep door het stof. Van de troon afgeschopt en terug de schaduw in waar ze thuishoren. Laat ze, net zoals Japanse sushi-leerlingen eerst twee jaar de keukenvloer dweilen voordat ze het mes mogen hanteren, eerst twee jaar de clubvloer schrobben voordat ze die stick ergens in mogen hangen. Terug naar start en helemaal opnieuw beginnen. Nederigheid! Dienstbaarheid! Weg met de schijnwerpers, de draaitafels ergens in een onopvallend hoekje en de namen nauwelijks leesbaar onderaan de flyer. Zo ontstaat er vanzelf ruimte voor nieuwe energie.

Pas als de ego’s verpulverd zijn kan het proces van spirituele en seksuele bevrijding opnieuw opgestart worden. De revolutie is nooit klaar. Overigens mag ook het publiek aan de slag. In plaats van met een holle blik naar de dj te staan staren zou men beter wat nieuwe kekke danspasjes oefenen.

Maar goed, laten we niet al te veel zuurpruimen. Was het vroeger echt allemaal beter? Welnee, we zijn misschien een beetje afgedreven, dat is alles. En zelfs dat is niet onoverkomelijk: een minuscule koerswijziging volstaat soms om op verrassende en avontuurlijke bestemmingen uit te komen. Een herbezinning op het dj-schap zoals hierboven beschreven zou bijvoorbeeld een optie kunnen zijn. Ik kon een licht sadistische grijns niet onderdrukken en merkte dat mijn kaken toch stijver waren dan ik dacht. Als ik maar geen rare bekken heb lopen trekken gisteren. Zo rebels ben ik nou ook weer niet.

Paul du Lac draait aanstaande zaterdag bij Deathmetaldiscoclub op Ruigoord, een voormalig kerkgebouw in Amsterdam (ongetwijfeld niet op pontificaal op het altaar, maar ergens in een donker hoekje)