Hoe een motorrit door Benin een sublieme compilatie opleverde

“Ik zit achter op een motorfiets in het centrum van Contonou, de grootste stad van Benin. Zigzaggend langs oerwoud-taxi’s en andere buitenissige vervoermiddelen”. Op dat moment wist Samy Ben Redjeb (professioneel crate digger en baas van platenlabel Analog Africa nog niet op wat voor goudmijn hij weldra zou stuiten. Benin bleek een schatkamer van vergeten Afrikaanse dansmuziek, met Orchestre Poly-Rythmo de Cotonou als belangrijkste vaandeldrager. Achteraf noemt hij het een cadeau van God. Zo’n ultiem geluk waarin je maar één keer in je leven tegenaan loopt.

Tien jaar na de eerste African Scream Contest-compilatie (bovenstaande quote komt uit het begeleidende boekje) is er een opvolger, waarop de in Duitsland woonachtige muzikale archeoloog andermaal op zoek gaat naar de mooiste pareltjes uit de muziekgeschiedenis van het kleine West-Afrikaanse land Benin. 

En die is rijk en divers, zo blijkt opnieuw. Zo had Benin in de jaren zeventig zijn eigen James Brown in de gedaante van Super Borgou de Parakou. Compleet met schreeuwende uithalen, syncoperende drums en baslijnen die zo uit de rubberboom zijn gevallen. Ook is er disco van het met synthesizers omhangen Orchestre Poly-Rythmo de Cotonou en Onyeabor-achtige glijsoul van ene Gnonnas Pedro, die samen met zijn Dadjes Band gloedvol en cryptisch zingt over de prijs van liefde. “What do you do you…Monday morning…with the money?” 

Het is een van de weinige Engelstalige nummers op deze compilatie. Er wordt vooral gezongen in lokale talen, naast Yoruba, Fon en Frans. Vaak laat de opnamekwaliteit van de uit stoffige pakhuizen opgedoken platen te wensen over, maar dat dondert niet. Het geeft deze Afrikaanse vintage funkmachine juist extra kleur. Bovendien zijn de songs sterk genoeg om je heupen en hart te raken, ook al klinken de blazers hier en daar overstuurd en lijkt de gitarist soms drie kamers verder te staan. 

Juist die obscuriteit -gecombineerd met een enorme energie- maakt van African Scream Contest 2  andermaal een genot. Het is de ultieme cross-over van afrobeat, rammelfunk en plaatselijke Vodoun-muziek, verpakt in een verzamelaar die nooit inzakt en blijft verbazen.

De beste schreeuw komt trouwens van Picoby Band D’Abomy, die met het onderkoelde ‘Mé Adomia’ iedereen omverblaast als de zanger de microfoon ter hand neemt

Zoals we gewend zijn van Analog Africa is alles aan deze essentiële verzamelaar zeer verzorgd. Zowel bij het vinyl als de cd vind je een boekje met sfeervolle zwart-wit foto’s van de muzikanten, interviews en uitgebreide liner notes. Ook belangrijk: de plaat kwam pas uit nadat alle artiesten waren opgespoord zodat ze betaald konden worden. Dat Samy Ben Redjeb nog maar vele motorritjes door Cotonou mag maken.