Paradise Garage, The Haçienda, RoXY, Boccaccio

Legendarische plekken die het fundament van onze clubcultuur vormen, zullen altijd tot de verbeelding blijven spreken. Er echoot magie in de klank van Paradise Garage, The Haçienda en de RoXY. Er zal, jaren nadat de lichten voor het laatst zijn aan gegaan, worden nagepraat over De School, over Berghain. In dat rijtje past ook Boccaccio, waar midden jaren tachtig new-beat uit de speakers galmde, als ware het ‘‘torenklokken uit de hel.’’

En dus is het eigenlijk best logisch dat twee talentvolle producers uit Nederland en België, Betonkust en Innershades, wiens ouders waarschijnlijnk nog vreemden voor elkaar waren toen Boccaccio ieder weekend van vrijdagavond tot maandagmiddag non-stop in lichterlaaie stond, dertig jaar later een plaat ter ere van de legendarische Vlaamse club uitbrengen.

Destijds had je als liefhebber van elektronische muziek in Nederland weinig te zoeken: in België moest je zijn. New-beat waaide van de Antwerpse discotheek Ancienne Belgique over naar de Vlaamse ‘plattelandsdancings’: tot discotheek omgebouwde boerderijen langs de rand van de snelweg. Het werd een eclatant succes. Een paar jaar later bleek het genre één van de muzikale kiemen voor de Amsterdamse RoXY. De rest is Nederlandse housegeschiedenis.

Forever In Boccacio, uitgebracht door Crimes Of The Future, bevat vier tracks die rechtstreeks uit de jaren tachtig zijn geteleporteerd. New-beat ontleent haar charme aan het trage tempo, dat zo’n vijf beats per minuut lager dan de gebruikelijke 120 bpm ligt. Daardoor krijgt de muziek iets sacraals, en ondanks dat de rem wordt ingeduwd blijft het energiepijl torenhoog. De bas is loeizwaar, de melodie hinkt achter het klappen van de kicks aan. De meest succesvolle new-beat-platen pakken met vervormd kerkgezang, dat trucje passen Betonkust & Innershades feilloos toe op de titeltrack van hun EP.

Er zit nog meer geschiedenisles in Forever In Boccacio verstopt. Op de B-kant staat een track met 'Jambers At Carat Afterclub' als titel. Een saluut, niet alleen aan een roemrucht doorhaaletablissement, maar ook aan de Vlaamse documentairemaker Paul Jambers die honderden subculturen in beeld bracht. Dat ging van ongehuwde boeren tot stripverzamelaars die voor hun collectie een tweede huis moesten kopen. Altijd was Jambers op zoek naar wat door velen werd bestempeld als excentriek, als ongewoon. Wat die serie zo krachtig maakt, is het grootse respect dat Jambers voor de geportretteerden etaleert. In Nederland deden we altijd wat lacherig over die malle Belg met dat rare accent, maar zegt dat eigenlijk niet alles over diezelfde Nederlanders? Is uiteindelijk niet iedereen onderdeel van een subcultuur? Of dat nou obsessieve postzegelverzamelaars of speedhakkende ravers zijn.

Voor wie geen idee heeft waar ik het over heb: zie hier die zogenaamde excentriekelingen van Jambers At Carat Afterclub. Prachtig.

Jambers filmt Vania, uitbaatster van afterclub Carat die volgens haar een slechte naam heeft. ‘‘Dat komt omdat veel mensen niet begrijpen dat wij in de dag opendoen’’, zegt Vania terwijl een man een bus haarlak over haar hoofd leegspuit. ‘‘Normaal in een dag moet je gaan eten met een vriendin of vriend, of naar de bioscoop gaan, of bij de bomma (oma red.) op bezoek gaan, maar niet in een discotheek zitten.’’

Klinkt herkenkaar?   

''Alles gaat in de muziek in golfbewegingen, en steeds vaker hoor je gabber maar ook new-beat terug op dansvloeren en in producties''

Zoals vaker bij elektronische genres is ook new-beat gebaseerd op een misverstand. In eerdergenoemde Antwerpse discotheek, draaide ene dj Fat Ronnie ‘Flesh’ van A Split Second onbedoeld op half tempo. Het resultaat gaf een track die niet alleen veel dansbaarder dan het origineel was, maar ook nog een stuk dikker klonk.

In Laat De Nacht Nooit Eindigen, de memoires van de Belgische dj en RoXY-icoon Eddy de Clercq, omschrijft hij new-beat als dé nieuwe elektronische sound. Wanneer De Clercq voor het eerst de Boccaccio binnenwandelt mijmert hij: ‘‘Ik herken de track ‘Roman Days’ van Fred Brown, de B-kant van een vage Detroit technoplaat die ik in Amsterdam kreeg van Abraxas van Fierce Ruling Diva. Ik voel de bassen dreunen in mijn maag. Het lijkt wel alsof de bellen van de hel worden geluid.’’

De new-beat-beweging is o.a. zorgvuldig gedocumenteerd in de documentaire The Sound of Belgium. De film begint op de dansvloer van de plaatselijke naoorlogse dorpskermis, de bakermat van de Belgische clubcultuur waar enorme mechanische draaiorgels jong en oud in beweging houden. Het was de eerste machinale dansmuziek, ver voor de sequencers van Giorgio Moroder. The Sound of Belgium gaat over de ontwikkeling van de fanatieke clubcultuur van onze zuiderburen, aan de hand van een aantal pionierende discotheken.

Naast The Groove in Oostende is de Boccaccio in Destelbergen, een gehucht niet ver van Gent, spin in het vers gewoven new-beat-web. De Clercq: ‘‘De inrichting van de clubs waar het genre gedraaid wordt is erg belangrijk voor de beleving. Zo heeft club Boccaccio een perfect geluidssysteem waarop de zware beats optimaal tot hun recht komen. Ook visueel klopt de ervaring: het gebouw oogt als een stalen kubus, spiegels omlijsten een enorme dansvloer, lasers spuiten keihard licht uit de muren. Wat veel bezoekers op dat moment waarschijnlijk niet weten is dat club Boccaccio in 1963 begon als een typische Vlaamse plattelandsdancing, waar op de vrije zondagmiddag stellen met elkaar dansten op jukeboxplaatjes.’’

De moeder van De Clercq danste waar zoonlief jaren later succesvol dj zou worden. Mooi.

Als ik Forever In Boccaccio draai, komt ook mijn eigen gemijmer op gang. Een plek als Boccaccio doet me denken aan de Hemkade, een club op een schimmig industrieterrein van Zaanstad. Ik kwam er in de hoogtijdagen van hardstyle en early rave, bezocht er tientallen Qlubtempo- en Multigroove-feesten. Ik vond er een wereld die ik niet kende. Het publiek leek altijd rechtstreeks van de F-side de club ingerold, maar was ondanks de van speed vertrokken koppen altijd hartelijk en verwelkomend. 

Ik heb dankzij Forever In Boccacio wel weer zin in een avond pretentieloos raven. In dansen op tapijt (Multigroove), in de rave sounds van de best rijmende line-up van de Hemkade: Dana, Luna, Pila, Pavo. Alles gaat in de muziek in golfbewegingen, en steeds vaker hoor je gabber maar ook new-beat terug op dansvloeren en in producties. Het enige wat je op Forever In Boccacio aan zou kunnen merken is dat het weliswaar als conceptplaat geniaal is, maar wat muziek betreft weinig vernieuwend.

Natuurlijk: herhalen is relatief en alles is herhaling zo lijkt me. Ik herhaal mezelf constant, omdat ik zo de dingen die ik bestudeer beter onder de knie krijg. Maar ik probeer er altijd weer iets anders bij te nemen, af te dwalen. Je concentreren op een new-beat kick kan enorm boeiend zijn, maar je moet wel mee met de tijd, en dus moet je kickdrum ook mee. Er bestaat niet zoiets als vernieuwing, maar wel een herziening van iets dat je op een nieuwe manier bekijkt (omdat andere ogen, andere handen, andere voorgeschiedenis). Wat dat betreft beklijven labels als Presto?! (Lorenzo Senni), PAN (Bill Kouligas) en Whities (Nic Tasker) net iets meer. Daar hoor je eigentijdse versies van gabber en new-beat, luister maar naar Gabber Eleganza, Errorsmith of Lanark Artefax. Wauw. 

Maar begrijp me niet verkeerd: ik vind het een feest om over muzikanten als Betonkust en Innershades te mogen schrijven. Ze houden je niet alleen op het puntje van je luisterstoel, maar voeren je tegelijkertijd een scheut van de rijkdom van onze clubcultuur. Afgelopen maand sloot Boccaccio, anno 2018 kortweg BOCCA geheten, definitief haar deuren. Maar de afterparty is pas net begonnen.