Het succes van een uniek (en intiem) opleidingsinstituut

Het heeft iets aandoenlijks. De man die de afgelopen dertien jaar een van de meest geliefde locaties voor clubcultuur op de kaart zette, zit op een rotan tuinstoel voor de deur van zijn café. Detlef Weinrich (51) is onberispelijk gekleed, alsof hij rechtstreeks uit het decor van het boek waar Salon des Amateurs naar is vernoemd is weggelopen. Hij knipt zelf de kaartjes en bepaalt wie er binnenkomt – en wie niet.

Dat boek – A Moveable Feast, Ernest Hemmingways ode aan het Parijs van de jaren twintig, begint zo: ‘‘De wind blies de regen bij de eindhalte tegen de grote groene bus en het Café des Amateurs was afgeladen en de ramen waren beslagen door de hitte en de rook binnen. Het was een treurig, slecht gerund café, waar de dronkenlappen van de buurt samendrommen en ik bleef er weg om de geur van vieze lijven en de vieze lucht van dronkenschap.’’

Die lucht van dronkenschap is ook in de Düsseldorfse variant penetrant. Maar ‘Salon’ is, in tegenstelling tot het Café, geen plek waar je liever wegblijft. Verre van. Je komt er in de wetenschap dat je nooit weet hoe de nacht zich zal ontwikkelen. Sluitingstijden zijn er niet, de garantie dat je goede muziek gaat horen wel. Salon des Amateurs bleek bovendien een uitermate succesvol opleidingsinstituut voor een horde dj’s die momenteel de voorhoede van een nieuwe generatie vormen. Een bijzondere plek, met een dito uitbater.  

Lena Willikens, Vladimir Ivkovic, Jan Schulte alias Bufiman, Weinrich zelf als Tolouse Low Trax, maar ook het aanstormende talent Phillip Jondo: allemaal genoten ze hun opleiding achter de draaitafels van de Salon. Dan zijn er nog de (relatief bescheiden) lokale labels die voor minstens zoveel opwinding zorgen. Themes For Great Cities, Kunstkopf: ze vinden elkaar in de veredelde bar waar een piekfijn Axis-geluidssysteem een membraam van opwindende muziek spant. De Salon is een pamflet voor kleinschaligheid, experiment, gemeenschapsgevoel en geduld. ‘‘Als je een bar hebt waar je muziek op een goed geluidssysteem draait en je bent tot zes uur ’s ochtends open, gaan er vanzelf mensen dansen,’’ grapt Detlef relativerend.

Een van mijn beste vrienden, professioneel artiest en dj, vindt dat ik de Salon overschat. Als de Salon een volwaardige club zou zijn en zich op die manier zou profileren, zou ik hem wellicht gelijk geven. Maar juist daarom is die plek zo interessant: het is geen club, maar een bar met een goed geluidssysteem waar zich een gemeenschap heeft kunnen vormen. Een plek waar een community kan groeien.

Detlef heeft zo zijn eigen redenen om van de Salon te houden. ‘‘Het zit ‘m denk ik in de intieme momenten die je hier kan beleven. Dat je kan draaien wat je wil draaien, ongeacht genre of tempo. In het vriendelijke barpersoneel, aan de vriendengroep die Salon maakt tot wat het is. Ik geloof dat ons publiek die vriendschap kan voelen. Ik noem het privémomenten: in een uiterst intieme setting kan je je volledig verliezen.’’ En dat niet elke avond op de Grabbeplatz geslaagd is, beaamt hij. ‘‘Negen van de tien keer valt het tegen, maar die ene keer is magisch. Daar doe ik het voor.’’  

‘‘Wanneer je zelfvertrouwen aan gezonde ambitie kan koppelen, komt het succes vanzelf’’

Dodendans
In 1992 reisde Detlef Weinrich de liefde achterna en ging in Düsseldorf aan de befaamde kunstacademie studeren. ‘‘Ik ben opgegroeid in het zuiden van Duitsland, niet ver van de Zwitserse grens. In die tijd waren er veel goede feesten in Basel en Zürich. Totentanz (dodendans red.) was een kleine club in Basel. Het interieur was spierwit, van het meubilair tot de muren. Het leek wel een ziekenhuis. Ze draaiden er Liquid Liquid, veel post-punk, heel eclectisch. Een fantastische plek die me heeft geïnspireerd. Het was een kleine club, maar destijds reisde men stad en land af voor een feestje.’’

De geboorte van de Salon noemt hij ‘‘een ongelukje.’’ Hij vertelt hoe de plek ontstond bij de gratie van een hippe burgemeester. ‘‘Joachim Erwin was zijn naam. Hij was in New York om de marathon te lopen en werd gegrepen, althans zo wil de overlevering, door de cafés in de wijk SoHo. Die zaten vol kunstenaars en excentriekelingen. Dat wilde hij in Düsseldorf ook. Toen deze ruimte in de hoek van het museum voor moderne kunst (Kunsteverein red.) vrijkwam, heeft de gemeente ons financieel gesteund. Een beetje New York in Düsseldorf. Wij moesten ook zo’n bar vol kunstenaars want hé, we zijn toch een kunststad?!’’ Weinrich lepelt de anekdote op maar lacht minzaam. Inmiddels is de liefde van de gemeente voor de Salon bekoeld. ‘‘Ze zijn de losbandigheid van deze plek een beetje moe. Maar het zijn vooral de zestienjarige jochies op de trap vóór de Salon die rotzooi schoppen. Ze hebben geen geld en stelen het bier van ons terras. Tsja, zou ik ook doen als ik van die leeftijd en platzak was. Maar voor ons is het een serieus probleem.’’

Detlef Weinrich is van het polysyllabische soort en zijn wijnglas spreekt minstens net zo vaak als zijn mond. Hij ontvangt mij vanmiddag in zijn stijlvolle appartement (zie foto’s), neemt mij mee naar zijn favoriete restaurant en is mijn gastheer wanneer er ’s avonds in de Salon een filmvertoning in een ‘reguliere’ avond overloopt. Ruim twaalf uur lang laaf ik me aan zijn eigenzinnige opvattingen over wat clubmuziek kan zijn (‘‘deze muziek is lang niet altijd bedoeld om op te dansen, je kan er net zo goed alleen naar luisteren’’). Hoe andere kunstvormen een inspiratie vormen voor dat wat hij als producer doet (‘‘ik vind dat iedereen Thomas Pynchon moet lezen’’, en toont trots een tatoeage van de cultschrijver op zijn onderarm). Hoe belangrijk het voor een scene is dat er, weg van alle commerciële hysterie, plekken zoals de Salon zijn en blijven. Want dat laatste is, onder druk van de plaatselijke autoriteiten en de onderhoudskosten voor het pand, allerminst zeker. Op dit moment is Salon des Amateurs, mede dankzij een reddingsoperatie van Resident Advisor, weer open. Voor hoe lang dat zal zijn is ook voor Weinrich een raadsel.

‘‘Wat er verdwijnt als de Salon moet sluiten? Alles. Alles wat voor deze scene belangrijk is. Een bron van inspiratie. Het besef dat het mogelijk is om een club op een compleet andere manier te runnen. Misschien kan je het vergelijken met het sluiten van de beste school van de stad. Het zou enorm treurig zijn.’’

‘‘Een van de meest gehoorde klachten is dat de muziek die we spelen te langzaam is’’, grijnst hij. ‘‘Maar ik denk dat je hier zeker iets van ons oudjes kan leren’’. Die functie als opleidingsinstituut wordt nog weleens onderschat. Niemand wordt als top-dj geboren, daar moet je uren voor maken op een plek waar het oké is om te falen.

‘‘Düsseldorf heeft dit soort plekken altijd gehad. Meer dan vijftien jaar geleden had je de Ego club. Die was maar twee jaar open, maar heeft desondanks een enorme voetafdruk achtergelaten. Het was dé plek voor techno, maar ook voor experimentele elektronische muziek.’’

‘‘Wie zijn historie niet kent, kan alleen bullshit maken’’

Fuck it
Haaks op de sores van de Salon staat de florerende carrière van de artiest Tolouse Low Trax. Ondanks zijn indrukwekkende staat van dienst - drie soloalbums en nog veel meer ep’s en remixen - lijkt Detlef Weinrich nu pas te pieken. Hij heeft er zelf een verklaring voor: ‘‘Ik heb jaren geleden een muzikaal alfabet geschreven en het lijkt wel of steeds meer mensen het kunnen lezen. Wanneer je als artiest wat langer bezig bent, krijg je zelfvertrouwen. Dat komt je werk ten goede. Kom op hé, ik ben 51, fuck it. Als je 25 bent mag je het op je eigen, koppige manier doen, maar ik weet inmiddels wat er wordt gevraagd. Wanneer je dat zelfvertrouwen aan gezonde ambitie kan koppelen, komt het succes vanzelf. Al is succes natuurlijk relatief. Ik ben nu succesvol in een niche, maar hoef me niet zoveel zorgen meer te maken. Je moet vrede met jezelf kunnen sluiten, jezelf kunnen accepteren zoals je bent. Jonge, beginnende artiesten zijn vooral bezig met overleven. Dan is de verleiding groot om compromissen te sluiten. Maar daar wordt de muziek niet beter van.’’ Opeens laat hij zijn serieuze houding varen, schiet in de lach en neemt een slok wijn. ‘‘Heb je genoeg zo? Of klinkt het allemaal veel te pretentieus?’’

‘‘Volgens mij is dat een van de grootste complimenten die je als artiest kan krijgen: dat je carrière zich op een langzame maar constante manier ontwikkeld. Dan is wat je doet minder hypegevoelig. Ik maak me niet zo druk om het feit dat het morgen voorbij kan zijn.’’ 

Nieuwe generatie
We lunchen bij het restaurant van Salon resident dj Frank D’Arpino, een van Weinrichs beste vrienden. D’Arpino komt bij ons aan tafel zitten en ontleedt in een zin de magie van de Salon. ‘‘Nergens anders hoor je zoveel variatie in club- en luistermuziek. Leeftijd doet er niet toe, jong en oud dansen en luisteren samen. ‘‘Hey, hallo!’’, roept Detlef naar de afwasser. ‘‘Ook een dj van de Salon. Aki Aki, de nieuwe generatie.’’

Weinrich is sinds de vroege jaren negentig onderdeel van Kreidler. De band uit Düsseldorf laat zich hoorbaar inspireren door de muzikale erfenis van de stad. De proto-techno van Kraftwerk, de krautrock van La Düsseldorf en Neu!: Kreidler mengt er een scheut dubtechno en een toef Afrikaanse percussie doorheen en richt het vizier op de toekomst. Als die Kreidler-producties iets met het werk van Tolouse Low Trax overeenkomstig hebben zijn het, naast die onweerstaanbare percussie, de opvallend trage tempi. Op de gemiddelde house track beweeg je op 120 beats per minute, maar de drums van Tolouse Low Trax, die uit een echoput naar boven lijken te stijgen, komen vaak niet boven de 95.

Weinrich legt uit hoe dat zit. Het weekend voor dit interview speelde hij in Athene met Danielle Baldelli, de Italiaanse dj die al meer dan veertig jaar achter de draaitafels staat. Hij is de muzikale vader van cosmic disco-adepten als Todd Terje en Prins Thomas, maar ook van Tolouse Low Trax. De Afrikaanse percussie en het trage tempo zijn Baldelliaans, maar de sfeer die Weinrich in zijn producties oproept is er een van staalharde Ruhrgebiet techno op half tempo. ‘‘Voor- of nadat we in Zwitserland gingen feesten, brachten we een bezoek aan de plaatselijke platenzaak. Daar verkochten ze cassettebandjes uit Noord-Italië. Er stond cosmic disco op, ultra sloom, naar beneden gepitcht, platen die op het verkeerde toerental werden gedraaid. We gingen naar Noord-Italië voor cosmic disco party’s. De dj’s speelden alles op een lager toerental, zo vreemd vonden we dat. Danielle Baldelli, Beppe Loda: het zijn helden voor mij.’’ 

Detleff Weinrich loopt lang genoeg mee om golfbewegingen te herkennen. ‘‘Wat ik interessant vind, is dat mensen het tegenwoordig pikken wanneer je verschillende tempi en genres door elkaar speelt. Als artiest heb je een verantwoordelijkheid: ik vind dat je een bepaalde basiskennis van de kunsten moet hebben, daarna kun je beginnen. Literatuur, films enzovoort. Onderwijs jezelf, alleen zo kun je een interessante visie ontwikkelen. Mensen vragen waarom mijn muziek klinkt zoals het klinkt: ‘Hoe kom je bij die rare shit uit?’, vragen ze dan. Nou, omdat ik iets van het leven probeer te maken. Nieuwsgierig ben. Ik schaam me soms als ik zie hoe weinig jonge mensen van kunst weten. Maar wie zijn historie niet kent, kan alleen bullshit maken.’’  

Als we ’s avonds in een grotendeels lege Salon staan zegt Detlef: ‘‘Ik geloof er heilig in dat wat wij hier doen, zin heeft. Dat het zin heeft om een community te bouwen en te onderhouden. Dat je samen deze kunstvorm betekenis geeft.’’ Zodra het over zijn kindje gaat beginnen de cynische ogen te stralen. Helemaal wanneer we het vervolgens over een van zijn helden hebben: Vladimir Ivkovic, het dj-fenomeen uit Belgrado en al jarenlang resident van de Salon. ‘‘Zijn muziekcollectie is ongelofelijk. Hij is een van de weinigen die altijd heeft gezegd dat ik door moet gaan met de Salon. Dat dit de manier is. Vladimir is fantastisch. Hij kan muziek op een compleet eigen manier brengen. Ik was ooit op een feest waar hij speelde en dacht verdomme: ik ken die track. Het duurde heel lang voordat ik doorhad dat het een plaat van mij was. Hij speelde hem op een extreem laag tempo af. Hoe ie het doet, doet ie ‘t, ik kan het niet altijd bevatten.’’ 

''Dan heb je nog Jan Schulte alias Bufiman. Als ik naar hem luister hoor ik jeugdig enthousiasme. Energie.’’ Dan lachend: ‘‘Bij mij hoor je het tegenovergestelde. De vraagtekens die ik bij deze scene zet. Is het nodig om altijd maar keihard te feesten? Er zit denk ik een serieuze toon in mijn muziek, die niet altijd overkomt of wordt gewaardeerd.’’

Ook vanavond blijkt weer hoe kwetsbaar de Salon is. De beamer waarop de documentaire wordt vertoond is van lage kwaliteit. Detlef wil geen entree heffen. Als iedereen zit neemt hij het woord: ‘‘Jullie hoeven geen entree te betalen, en excuses voor het ongemak.’’ Gejuich en applaus uit de zaal, maar Detlef weet dat hij vanavond verlies draait. ‘‘Dat is van secundair belang. Deze mensen zijn helemaal naar hier gekomen om die film te zien, dan is dit het minste wat ik kan doen. Wil je nog bier?’’