Zo gaan conferenties de (dance)wereld niet veranderen

Donderdag 15 juni 2017, 10:40 uur. In de bagagehal van El Prat, het vliegveld van Barcelona, klinkt Brian Eno’s meest recente album Reflection. De hele dag. Je hoort het eigenlijk niet. Of beter: je bent je er niet bewust van dat je het hoort, maar het is er. En het heeft impact, net als die paar seconden intromuziek die Eno destijds voor Windows 95 componeerde. Hetzelfde kan gezegd worden van de expositie van Eno’s werk elders in Barcelona, in de Arts Santa Monica op de Ramblas. Muziek, beeld en tekst komen er samen. Maar uiteindelijk zijn het de ideeën die de drie verenigen en die betekenis aan het geheel geven.

Dat sluit fraai aan bij We Are Europe, de internationale organisatie die acht Europese festivals verbindt die stuk voor stuk een conferentie-achtig programma aan hun muziekaanbod toevoegen. Het doel: bijdragen aan nieuwe sociale en politieke ontwikkelingen vanuit een interdisciplinaire benadering.

Sónar Barcelona is al sinds het ontstaan in 1994 primair een muziekfestival, met in het nachtprogramma op vrijdag en zaterdag een reeks grote namen uit de dance en de dansbare pop. Dit jaar waren dat onder meer DJ Shadow, De La Soul, Anderson Paak, Soulwax, Carl Craig, Nicolaas Jaar en Moderat. Artiesten die staan voor gegarandeerde kwaliteit en het publiek niet snel op het verkeerde been zullen zetten.

Voor verrassingen zou het dagprogramma moeten zorgen, dat het publiek wil prikkelen met meer avontuurlijke muziek en ook wat elektronische terreinverkenningen die niet per se de dansvloer als biotoop hebben. Toch komt dat avontuur in de 2017-editie aanzienlijk minder aan bod, dan bijvoorbeeld gedurende de eerste helft van het vorig decennium.

Het zou kunnen dat de elektronische muziek destijds méér in beweging was, met bijvoorbeeld glitch en noise als uiterst actuele grensverleggende stromingen bij het begin van de eenentwintigste eeuw. Maar tegelijk is dat nogal een onwaarschijnlijke veronderstelling. Natuurlijk gebeurt er ook in 2017 van alles in de frontlinies van de elektronische muziek. Chal Ravens kaartte in het juninummer van muziekmagazine The Wire bijvoorbeeld nog de ontwikkelingen in niet-westerse culturen aan, waar de laptop, programmatuur en andere elektronica inmiddels ook breed beschikbaar zijn. Zou daardoor de elektronische muziek wellicht een heel andere richting in kunnen slaan?

Etyen
Met die gedachte bezocht ik op vrijdagmiddag het concert van de Libanees Etyen, die behalve met een laptop ook met een gitaar en zingend in de weer was. Ja, zijn melodieën hebben een duidelijk oriëntaalse inslag. Maar als hij het publiek uitnodigt om te gaan buikdansen speelt hij zijn exotische troefkaart toch wel wat te gemakkelijk uit.

Hetzelfde geldt later die middag voor de Chinese Pan Daijing die niet kan kiezen tussen een performance, een singer-songwritershow en een noise-offensief, en het daarom alle drie maar een beetje doet, maar niks echt goed. Het meeste indruk maakt ze nog als ze middels haar apparatuur alle brandweerauto’s en ambulances van New York met gierende sirenes op het publiek af laat stormen. Maar haar vocale performance steekt dun af bij die van de Noorse Jenny Hval die veel meer gefocust is en daardoor meer impact heeft.

Daar komt bij dat zingen van achter een tafel met apparatuur gewoon niet werkt. Er is een letterlijke en figuurlijke barrière, die vooral veroorzaakt wordt doordat de muzikant –in tegenstelling tot bijvoorbeeld een singer-songwriter met gitaar– niet permanent op het publiek gericht blijft. Je kunt geen laptop bedienen zonder naar het beeldscherm te kijken. En een zanger of zangeres komt pas geloofwaardig over als zijn of haar blik op het publiek gericht blijft. Van de muzikanten die ik in Barcelona zie begrijpt de Nederlandse Sofie Winterson dat nog het beste. Daarbij hebben haar liedjes soms ook een Eurythmics-achtige kwaliteit. Alleen dat ritmeboxje met een geluid van een paar tientjes: neem toch een percussionist van vlees en bloed. Gezien de ladingen popmusici die de popacademies tegenwoordig uitspuwen kan dat nauwelijks duurder zijn.

‘‘Yves Tumor wil iets uitdrukken, iets communiceren dat verder gaat dan een partituur of een handvol noten’’

Yves Tumor
Eén man wist zich overigens werkelijk te onderscheiden tijdens het Sónar-dagprogramma dit jaar. De Amerikaan Yves Tumor. Dat laatste is overigens niet zijn echte naam; die blijft vooralsnog onduidelijk, net als zijn vaste woonplaats en tal van andere persoonlijke details. Daarbij verschilt ook zijn liveoptreden significant van zijn vorig jaar verschenen LP Serpent Music, die op een ongrijpbare wijze verwrongen soul verbindt met noise en field recordings.

Op het podium ontpopt zich echter een heel andere Yves Tumor. Met een snelle handbeweging start hij een backing-track die nog het meest aan Atari Teenage Riot of andere digital hardcore herinnert. Dan duikt hij het publiek in en brult zijn apocalyptische teksten, terwijl om hem heen een heuse moshpit ontstaat. Zo gaat dat door, ruim een half uur lang tot het opeens stopt, het publiek te verbouwereerd achter latend om de Amerikaan de ovatie te geven die hij verdient. Eén ding staat echter als een paal boven water. Tumor’s muziek gáát ergens over. Hij wil iets uitdrukken, iets communiceren dat verder gaat dan een partituur of een handvol noten.

Maar heeft dat ook iets te maken met die ‘bijdragen aan nieuwe sociale en politieke ontwikkelingen vanuit een interdisciplinaire benadering’ waar We Are Europe haar zinnen op heeft gezet? Nauwelijks, of hooguit zeer indirect.

Niet voor niets verwijst We Are Europe daarvoor nadrukkelijk naar het parallelle Sónar+D-programma, waarin alles draait om ‘‘creativity, technology & business’’. Drie dagen lezingen, workshops, presentaties en netwerkbijeenkomsten, speciaal voor ‘‘professionals’’ inclusief veel ‘‘start-ups’’ – tientallen mogen zich presenteren. En wellicht zitten daar mensen bij die de wereld gaan veranderen, wie zal het zeggen. Maar vooralsnog lijkt het primair om gadgets te gaan.

''Er wordt veel gezegd, maar tegelijk ook bedroevend weinig''

Als er dan ergens ruimte moet zijn voor de thematiek zoals We Are Europe die graag belicht, dan zou dat tijdens het flink gevulde conferentieprogramma met interviews en panels moeten zijn. Een snelle blik op dat programma is veelbelovend. Panels met creatieven op het terrein van muziek en digitaal beeld. Interviews met innovatieve musici als de legendarische pionier op de analoge Buchla-synthesizer Suzanne Ciani; footwork-voorvechtster Jlin en sample-vetaraan DJ Shadow. En niet te vergeten De La Soul manager Brandon Hixon die doorgezaagd zou worden over het gebruik van Kickstarter als hedendaags verdienmodel voor muzikanten.

Er wordt veel gezegd, maar tegelijk ook bedroevend weinig. En dat heeft alles te maken met de interviewers en moderators. In alle interviews en bij alle paneldiscussies gaat het alleen maar over de ‘hoe-vraag’, nergens over de ‘waarom-vraag’. Hoe ben je je carrière begonnen? Hoe kwam je doorbraak tot stand? Hoe heb je die en die track geproduceerd? Hoe ben je in aanraking gekomen net bepaalde apparatuur? Hoe heb je je crowdfunding opgezet?

En nooit: Waarom ben je muziek haan maken? Waarom maak je de muziek die je maakt? Waar gaat je muziek eigenlijk over? Waarom denk je dat jouw muziek enige urgentie bezit?

Dat lijkt muggenzifterij, maar dat is het niet. Als het gaat om de rol die creatieven –in dit geval mensen die met elektronische muziek en beelden werken– bij het beïnvloeden van politieke en sociale systemen vervullen, zal je toch eerst de relatie tussen die creatieven en die systemen moeten onderzoeken. En dat hoeft dan niet per se direct in Marxistische of sociologische termen. Maar alleen kijken naar technische mogelijkheden binnen het bestaande system –hoe– lost weinig op. Je moet ook bestaande systeem zelf –waarom- ter discussie durven stellen.

En dat is precies wat tijdens de Sónar+D-conferentie ontbreekt. Sterker nog: tijdens een door Red Bull gesponsord programmaonderdeel wordt DJ RP Boo geïnterviewd door een medewerkster van het betreffende energiedrankje. De La Soul-manager Hixon wordt over de Kickstarter-avonturen van zijn band ondervraagd door iemand van het crowdfunding-platform. Dan is natuurlijk iedere journalistieke distantie zoek, laat staan dat de ondervrager serieus probeert een vinger achter de eventuele keerzijde van het verhaal van de muzikant/kunstenaar in kwestie te krijgen. Commerciële promopraatjes zijn het. Met als enig potentieel doel: Europa aan de Red Bull of Kickstarter krijgen – de volgende stap is dan dat kunstsubsidies eigenlijk gewoon elitaire flauwekul zijn.

Sónar presenteerde dit jaar ook met de nodige aplomb de wereldpremière van Phosphere, een technisch indrukwekkende en visueel adembenemende driedimensionale multimedia-installatie van het Japanse bedrijf/studio Rhizomatiks van de Japanse, vooral met digitale middelen werkende kunstenaar Daito Manabe. Een interactief stuk hypertechniek waar je mond als toeschouwer bij openvalt. Als je echter de moeite neemt er een kwartiertje of langer naar te blijven kijken, dringt zich –bij mij althans– onvermijdelijk de vraag op: waar gaat dit werk eigenlijk over, behalve het publiek een moment overrompelen?

Ook Manabe wordt tijdens de Sónar+D-conferentie ondervraagt en dan wordt het antwoord snel duidelijk. De installatie is voor hem vooral een ‘technische showcase’ om grote en supergrote opdrachten binnen te slepen bij mega-sportevenementen en dergelijke. De verhalen achter het werk zijn technisch, commercieel en esthetisch.

Verademing
In dat verband zijn twee andere interviews, die met Jlin en Suzanne Ciani, een verademing. Niet dat zij bij het praten over hun muziek overlopen van maatschappelijke bevlogenheid, maar ze geven tenminste van een iets anders gewortelde motivatie blijk. Jlin heeft het over de balans tussen haar persoonlijke en muzikale leven. Suzanne Ciani vertelt smakelijk hoe het bruisgeluid bij het openen van een frisdrankflesje in vrijwel alle reclamefilmpjes in de jaren zeventig en tachtig afkomstig waren uit haar Buchla-synthesizer. Daar heeft ze een goed belegde boterham mee verdiend. Toch ging het haar altijd om iets anders, vertelt de nu éénenzeventigjarige veterane: ze mam die reclameopdrachten alleen maar aan omdat die haar in staat stelden albums met ‘‘artistieke muziek’’ te maken. Dat waar het haar uiteindelijk om te doen was.

Ciani speelt ook ‘live’ op Sónar. Op vrijdag aan het begin van de avond in de grote, door Red Bull gesponsorde grote SonarDôme. Het publiek is er massaal op af gekomen, kijkt gefascineerd naar de immense beeldschermen waarop de muzikante bezig is met een woud van snoertjes; het analoge handwerk. Toch is er ook merkbaar sprake van onrust bij de bezoekers. In sommige gevallen zelfs onbehagen. De muziek van Suzanne Ciani mist precies datgene waar een belangrijk deel van het publiek specifiek voor naar Sónar komt: beats.

Esthetiek
Aan esthetiek geen gebrek tijdens Sónar 2017: het wordt getoond en er wordt over gepraat. Zoals de strakke, bijna architectonische ‘‘concertinstallatie’’ van het duo Nonotak, waarachter de Française Naomi Schipfer en de Japanner Takami Makamoto schuilgaan. Al even oogverblindend en oorstrelend is de installatie-performance Entropy waarin musici (Dopplereffekt) live samenwerken met videokunstenaars en wetenschappers. Entropy is de programmabijdrage van het Haagse TodaysArt aan Sónar 2017, nadat het vorig jaar ook al op het eigen, Nederlandse festival en op het Keulse C/O te zien was geweest.

Het heeft nog het meeste weg van een soort superdeluxe TED-talk. Die begint bij de oerknal en eindigt in het –relatieve– heden. Met een helemaal in TED-stijl druk en bestudeerd spontaan gebarende vertelster, schitterende beelden, verbluffende driedimensionale effecten en wat toefjes livemuziek van het Dopplereffekt-duo. Een symbiose van kunst en wetenschap – althans zo wordt het gepresenteerd. Maar juist als je denkt dat in de finale ook de rol van de mens in dit scheppingsverhaal aan de orde gaat komen – zoals bijvoorbeeld bij Koyaanisqatsi, het filmepos van Godfrey Reggio en Philip Glass – rolt de aftiteling over het scherm. Esthetiek en techniek, ja. Moraal en ideologie, niets daarvan.

Dat is eigenlijk wat mij nog het meest opvalt tijdens drie dagen Sónar en Sónar+D. Terwijl in Londen een uitbrandend flatgebouw het nog altijd levensgroot aanwezige klassensysteem en de kloof tussen arm en rijk blootlegt; terwijl de terreur van IS en andere fundamentalistische groepen en de komst van mensen die een goed heenkomen zoeken uit verschrikkelijke oorlogen een golf van toenemend racisme –lees ‘afbrokkeling van de beschaving’– in de westerse wereld tot gevolg hebben; terwijl de bezitsverhouding in de wereld steeds schever wordt, lijkt dat alles straal aan Sónar 2017 voorbij te gaan. Aan de organisatie, aan de artiesten, aan de bezoekers. Is het bewust ‘even ontsnappen’ aan de harde werkelijkheid, of gaat het verder?

Engagement?
In ieder geval is het geen houding die representatief is voor de kunstwereld. Sterker nog, de beeldende kunst lijkt geëngageerder dan ooit. Vijf jaar gelden schreef ik een verhaal over dOCUMENTA 13 met als titel ‘Kunstboeken haal je bij De Slegte, theorie bij dOCUMENTA’. Vluchtelingenpolitiek, rechtspopulisme en consumptieliberalisme hadden Europa in hun greep en inspireerden een groot veel van de exposerende kunstenaars. Tijdens de meest recente edities van de Biënnale van Venetië was dat niet anders. En de recensies van beide megakunstmanifestaties die ook dit jaar weer een editie beleven onderstrepen dat die maatschappelijke reflectie in het werk van de kunstenaars inmiddels nog nadrukkelijker aanwezig is dan voorheen. Dat alles ontbreekt in Barcelona. Om tot nieuwe paradigma’s te komen moeten er toch echt eerst andere vragen gesteld worden.

Het is niet zo dat er tijdens Sónar 2017 helemaal niets te zien of te horen valt dat bij zou kunnen dragen aan die nieuwe sociale en politieke ontwikkelingen die We Are Europe zo graag gestimuleerd ziet. En dan gaat het niet over spandoeken, slogans, protestsongs of op zonne-energie werkende synthesizers. Uiteraard niet. Alles begint met het stellen van vragen. En bij voorkeur niet met de 'hoe?-vraag', maar met de ‘waarom?-vraag’. Met het ter discussie stellen van waarheden die wellicht geen waarheden meer zijn of dat zelfs nooit waren. Met het onderuit halen van vanzelfsprekendheden. Zoals nieuwkomer Yves Tumor dat op een geweldige wijze doet, zijn publiek bijna shell shocked achterlatend.

Maar het kan ook op een andere, misschien iets mildere, maar uiteindelijk nauwelijks minder confronterende wijze. Zoals met name de veteranen tijdens Sónar 2017 laten zien. Brian Eno is al genoemd. Maar ook de twintig minuten durende intense interactie die de Amerikaanse Amsterdammer Mark Bain de bezoekers laat aangaan met het marmer, glas en water van het fraaie paviljoen van Mies van der Rohe is radicaal vervreemdend. En wat te denken van de mannen van Matmos, die alle digitale ontwikkelingen trotseren en een gewone wasmachine als basis voor hun concert nemen. En het werkt. Ook daarbij kan gedanst worden. Vooroordelen, vastgeroeste gewoonten en conventies weggewassen. Daarmee begint alle verandering.