Digging Dub: Lee Perry en de Ontdekking van de reggaehemel (III)

Shinta Lempers verdiept zich in soundsystemcultuur en licht de meest memorabele artiesten en momenten uit in deze serie. Dit is het slot van een drieluik over Lee Perry, het eerste deel vind je hier, het tweede hier 

Het unieke roots-, reggae- en dubgeluid dat uit The Black Ark galmt, komt uit een vast arsenaal van instrumenten. Een viersporen Soundcraft-mixer, een demomodel ‘phaser’ effecten-unit van Mutron (verschijnt uiteindelijk nooit op de markt), Clavinet keyboards, een elektrische piano en een drumcomputer. Later vinden synthesizers en Nyabinghi handdrums er een thuis. De Roland Space Echo Re 201 is de analoge tape-vertrager die onmisbaar is bij het muteren van ingezongen nummers naar dubversies.

Instrumentalisten brengen hun eigen gitaren en trompetten mee. Het interesseert de dubmaker alleen geen jota welk instrument iemand eigenlijk speelt. Kom je met een trompet, wil Perry dat je basgitaar speelt. Zijn ingevingen leiden altijd.

De producties vanaf 1977 zijn langzaam en zwaar. Het is aurale molasse. Deze verandering is een spiegel van de meest chaotische periode in Jamaica’s turbulente geschiedenis. Politie en gangs persen Perry af, een benarde situatie die zo mooi vertaald is naar het nummer ‘Police & Thieves’, waarvoor hij Junior Murvin achter de microfoon zet.

‘‘Hordes Rastafari’s kamperen in Perry’s tuin’’

Het open deurbeleid van The Black Ark creëert eind jaren zeventig een sfeertje waar iedereen kan samenkomen, spelen en roken (ganja) in vrede. Hordes Rastafari’s kamperen in Perry’s tuin. Die chaos is het toneel van misschien wel de grootste verdienste van Perry’s hele muzikale carrière, een album met drie rasta’s genaamd The Congos. Ironisch genoeg brengt album ook de ondergang van de legendarische studio met zich mee.

Religieuze allegorie
Wanneer gitarist Roy Johnson Perry op straat ziet begint hij te spelen en de gevleugelde woorden “Row, Fisherman, Row..” te zingen. The Congos zijn dan nog een duo, maar Scratch brengt daar snel verandering in. Hij mist een hoge stem, en vraagt Watty Burnett als derde lid. Zijn falsetto is het missende ingrediënt, blijkt meteen. Het trio legt de weken erna met Perry de fundering voor een roots-album van de allerhoogste orde: Heart Of the Congos.

Dit muzikale canvas viert het Afrikaanse nalatenschap en wijst de destructiviteit van de Babylonische (Westerse) wereld af. Het album loopt over van religieuze allegorie, Bijbelse verhalen door de ogen van Rastafari’s. Scratch bereikt hier zijn artistieke top. Betwistbaar reflecteert geen enkel ander album zo goed het technisch tovernaarschap en spiritueel animo van de Jamaicaan.

The Congos hebben een goede invloed op Perry, ze helpen hem van de drank af en lopen elke ochtend hard met hem op het strand. Via hen komt Perry in contact orthodoxe Nyabinghi-rasta’s en begint hij samen te werken met Ras Michael en andere strenggelovige producers. Hij denkt er op een gegeven moment over na om van The Black Ark een kerk te maken.

City too hot
Synchroon aan de opleving van The Black Ark verpaupert Jamaica. Het eiland wordt geteisterd door een explosie aan politiek geweld. Het is ook het jaar dat keizer Haile Selassie overlijdt. De onverwachte dood van de door God verkozene koning der koningen, drijft mensen tot waanzin, anderen tot het verkondigen van een nieuwe boodschap.

De politieke onrust in Kingston bereikt voor Perry een dieptepunt als Bob Marley en The Wailers op 22 april 1978 tijdens een vredesconcert beschoten worden. Perry zit weer veel aan de rum en rookt onophoudelijk joints. De rum schijnt demonen op te wekken en geleidelijk aan verandert Perry’s gedrag. Een van de vroegste aanwijzingen van zijn troeblerende geest is ‘City Too Hot’, een klaaglied over alle krachten die tegen hem zouden zijn.

Aartsvijand nummer een is Chris Blackwell. De Island Records manager die de muziek van The Black Ark naar Europa brengt. Blackwell is kind aan huis bij The Black Ark, de Londenaar is er vaak getuige van de magie. Als iemand heilig in Perry’s meesterschap gelooft is hij het.

Alleen wijst Blackwell dat jaar twee Black Ark albums af: Heart of The Congos en Roast Fish Collie Weed & Corn Bread. Hij kan ze niet kwijt zegt hij, ze zijn te experimenteel en te spiritueel voor de Brit. Bovendien gaat Island Records een andere richting op. Perry is woest en vernielt de glimmende achtsporenmixer die Blackwell eerder als cadeau naar hem opstuurde.

Dreadlock overload
Scratch begint in die tijd ook een afkeer van rasta’s ontwikkelen. Geen zuivere koffie, ze maken alleen maar misbruik van hem. Of er daadwerkelijk slechte bedoelingen schuilen achter de slingers rook die boven de boomlange ganjapijpen cirkelen, wordt nooit duidelijk. Maar Perry weet het zeker.

“Dus begon ik dingen te doen om ze weg te jagen. Om ze te laten denken dat ik gek was. Ik ben geen dread, ik ben maar een plattelandsjongen”, zegt Perry in de documentaire The Upsetter (2008). Ik kijk naar hem terwijl hij dit zegt. Perry op een stoel en op zijn hoofd draagt hij een schaal vol nepfruit.

De vitale dominosteentjes in Perry’s leven vallen een voor een om. Als zijn vrouw hem ook nog verlaat voor een bekende muzikant, lijkt Perry de greep op de realiteit te verliezen. Wie goed luistert, hoort in de laatst opgenomen nummers uit The Black Ark doorschemeren dat het goed mis zit.

Mad Man
De meest bizarre taferelen spelen zich in de ooit zo magische ruimte af. Opnamemateriaal en afval reïncarneren in de vorm van sculpturen, Perry kladt elk beschikbaar oppervlak onder met onsamenhangende teksten. Voor Perry is er niets vreemds aan de hand. Hij probeert de ruimte slechts te zuiveren van negatieve energieën.

Meerdere bronnen zeggen dat hij zijn manie (valselijk) misbruikt om mensen op afstand te houden. Hoe dan ook, er ontstaat een nieuw persona en Perry zal nooit meer de oude zijn. Tot 1979 staan er zo nu en dan nog artiesten op de stoep. Ze hebben de ijdele hoop een plaat op te nemen met hun idool. Maar telkens keren ze teleurgesteld naar huis, want Perry produceert alleen nog maar gebrabbel. Eind 1979 is The Black Ark gereduceerd tot een verlaten schuur.

Perry slaapt niet, eet niet en gehoorzaamt vierentwintig uur per dag aan zijn muze. Hij slaat alles in de studio aan gort en steekt zijn heilige muziektempel uiteindelijk zelf in brand. Dat is absoluut noodzakelijk, zegt hij in de documentaire: “Na de dood komt leven. De studio afbranden staat gelijk aan mezelf afbranden, zodat ik opnieuw geboren kan worden.” Een nieuw begin, ook om een andere reden. “Ik wilde de studio eigenlijk The Ark of the Covenant (De Ark des Verbonds, red.) noemen, maar ik koos voor Black Ark omdat ik zwarten wilde helpen. Maar dat is kortzichtig. Ik wil blanken niet uitsluiten.’’

Eeuwig zonde
Island Records brengt een aantal sublieme reggae-albums nooit uit. In Perry’s hoofd waart een boze geest die hem de echte reden voor die afwijzing influistert: elk goed reggae-album kon de carrière van Bob Marley weleens dwarsbomen. “De focus lag op Marley. We waren allemaal slachtoffer, allemaal opgeofferd voor het Marley-imperium. Maar we danken God want hierdoor heeft de wereld reggae-muziek leren kennen”, zegt Perry in zijn biografie. Blackwell, die van Perry de rug toegekeerd kreeg, doet hierin ook zijn kant van het verhaal. Een kant die meesterhater Scratch kennelijk niet uit zijn levensverhaal heeft laten schrappen. “Perry wordt, net als de meeste reggae-artiesten, door de pers omarmd maar niet door de radio. Dat maakt je geloofwaardig, maar levert geen hitjes op.”

Het doorgedraaide genie reïncarneert na een lange stilte als een nieuw persona: Pipecock Jackson. Een betere tijd breekt aan. Hij neemt een album op in wat er overgebleven is van The Black Ark en in een studio hier om de hoek: de Ballad Sound studio in het Gelderse Vuren. Een goed album is het niet, een interessante snapshot van die periode wel. Check bijvoorbeeld ‘Babylon Cookie Jar a Crumble’.

Pipecock brengt ook veel tijd door in London. Met Bob Marley, maar ook met punkrockbands The Clash en de Sex Pistols, die een beroep op zijn producer skills doen. “Punk rock is net als reggae rebelmuziek. I am really a punk, that’s why I can’t be controlled”, aldus de Jamaicaan.

Punky Reggae Party
Mad Professor en Adrian Sherwood, jonge underground-producers die beiden geïnspireerd zijn door hun idool, benaderen Perry en nemen albums met hem op. Het meest memorabele is Time Boom met Sherwood, maar ook Mystic Warrior met Mad Professor gaat de boeken in als een klassieker.

Zijn leven neemt opnieuw een drastische wending als Perry in Jamaica terugkeert. Het geweld op het eiland is dan erger dan ooit tevoren. Hij ontmoet de Zwitserse Mirielle en verhuist al snel met haar naar haar moederland. In Jamaica en in Londen laat hij verbijsterde exen en kinderen achter. In Zwitserland kapt de rokkenjager met wiet, alcohol en vlees en betrekt er een thuisstudio. Vanuit zijn secret laboratory gaat hij verder met muziek maken. De kwaliteit wisselt.

Misschien is Perry’s ban op alcohol en drugs voor hemzelf wel de meest bevredigende productie in zijn carrière. Het brengt hem weer op de rails, voor zover de buitenwacht kan beoordelen. Zijn lab heet inmiddels The Blue Ark, een politiek neutraal antwoord op de zwarte voorganger. Zou hij de kleur ook gekozen hebben omdat het die van de hemel is, de tint van het heilige? Hoe dan ook, de reggaehemel leeft voort.

Niet de witte kaars
Tot vorig jaar, december 2015. Want dan verschijnt er een nieuwsbericht. Perry’s studio is opnieuw afgebrand. Na een statusupdate met het verdrietig nieuws en dito emoji’s op Perry’s Facebook-pagina, doet zijn vrouw Mirielle haar verhaal op CBC Radio. Ze werden laat in de middag wakker, want Scratch kruipt altijd pas tegen zes uur ’s ochtends in bed. Een paar uur later slaat hun zoon alarm, de benedenverdieping staat in de fik. “O, nee. Niet de witte kaars”. Die gedachte gaat door Mirielle heen, maar ze weet dan eigenlijk al hoe laat het is.

Ze vertelt over de noodzaak om kaarsen voor haar man te verstoppen. Niet alleen kaarsen trouwens, alles wat brandt. En over die keer dat hij zorgde voor een totale evacuatie van een hotel. Over de onvervangbare spullen die opgegaan zijn in de as. Zelfgemaakte schoenen versierd met edelstenen, kunst, kostuums, hoeden, computers, sleutels, USB-sticks vol met muziek. Zijn hele levenscollectie. Zelfs zijn ‘magische microfoon’ is weg. “En het kan elk moment weer gebeuren”, verzucht ze.

Een reggaeband in de hemel
Perry, een man die onmogelijk te peilen is. Grillig als de zee, mystiek als het regenwoud, niet kapot te krijgen. De Grand Canyon onder de reggaemakers.

Gedurende vier maanden dat ik in Perry’s werk en leven dook heb ik vaak getwijfeld of hij ze allemaal op een rijtje heeft. Ik kwam erachter dat hij een van de grootste levende legendes is, dat hij weer zuipt als een zeeman. Vorig jaar zag ik hem meerdere keren live, en realiseerde dat hij is vervreemd van zijn eigen nummers. Ik vond het antwoord niet, en pas toen ik het onderwerp Lee Perry even losliet begreep ik het.

Ik kwam iets inspirerends tegen, iets dat niks met hem te maken heeft maar toch ook zo veel. Het was een Ted-Talk waarin een wetenschapper vertelde dat het universum ontzettend veel geluiden produceert, die klinken als muziek.

Wij kunnen ze met ons mensenoor niet ontcijferen, maar er bestaan tools die luisteren naar de planeten en er zijn wetenschappers die deze geluiden hebben weten te vertalen. Zo ontdekten zij dat zwarte gaten op de ruimte slaan als drumriffs, en dat Jupiter het geluid brekende golven echoot.

Daar, in de sonische ontrafeling van de buitenaardse fysica doemt Perry weer op. In de hemel boven onze aarde spelen planeten al miljoenen jaren samen rhythms. En in 1936 kwam ergens rond de evenaar een jongetje ter wereld met een onaards paar oren, om die klanken aan de mensheid te serveren.

Luister hier de Playlist Diggin Dub, en sta in het bijzonder stil bij deze tien platen, mijn persoonlijke favorieten