Digging Dub: Lee Perry en de ontdekking van de reggaehemel (II)

Shinta Lempers verdiept zich in soundsystemcultuur en licht de meest memorabele artiesten en momenten uit in deze serie. Dit is deel II van een drieluik over Lee Perry, het eerste deel vind je hier.

In Amerika luisterde Bob Marley vooral Jamaicaanse muziek. Eén hit in het bijzonder blijft hem bij. In Jamaica gaat Marley op zoek naar de gitarist die de baslijn onder het nummer produceerde. Perry is op dat moment opgebrand en verbitterd en wil even niks met zangers te maken hebben. Hij heeft niemand nodig voor de muziek die hij dan maakt, heeft een enorme rhythm-catalogus opgebouwd en maakt veelal instrumentals. Zijn sound noemt hij ‘upsetting’, en zichzelf ‘The Upsetter’. Hij wil mensen van hun stuk brengen, anderen juist een positieve impuls geven.

Marley is een rouwdouwer, zijn straatnaam is ‘Tuff Gong’. Perry mist een spirituele geest in zijn muziek, hij vindt het niet uplifting genoeg. Toch geeft hij de militante jonge rasta een kans. De jongen is met een reden bij hem terechtgekomen en heeft zijn hulp nodig, denkt Perry. “Ik zei, zing wat je moet zingen.” Marley zet een nummer van Perry’s grote held James Brown in en is meteen verkocht. “Ik had het niet meer.’’

Er ontstaat een vriendschap tussen Marley en Perry zo hecht als superlijm. Marley trekt zelfs bij zijn coach in. Perry geeft hem zijn eigen kamer aan de voorkant van het huis. “Bij Coxsone zat hij in een kamer aan de achterkant van de studio, daarom kwam hij niet vooruit”, zegt Perry in de biografie People Funny Boy (David Catz).

De twee zijn onafscheidelijk en de combinatie van de huisband The Upsetters en de harmonieuze stemmen van The Wailers blijken 24-karaatsgoud. The Wailers gelden dan als het origineelste zangtrio op het eiland en The Upsetters leggen onder Perry’s grenzeloze artistieke visie riddims waar geen speld tussen te krijgen is.

Dwarsligger
Marley is een niet te dempen ideeënput, en zijn stemgeluid is uniek. Maar de ingrepen van Perry slijpen hem tot een onverwoestbare diamant. De producer leert zijn leerling langzamer zingen, zodat de woorden beter verstaanbaar zijn en hij haalt Marley over om The Wailers weer bij elkaar te brengen.

Perry vindt hereniging noodzakelijk. De nummers waar ze dan aan werken hebben de harmonie van The Wailers als zangtrio nodig. De muziek dopen ze tot revolutionaire soul, van het woord reggae stappen ze (voorlopig) af. De muziek dient een spirituele revolutie, dat vereist krachttermen. Ze willen vechten tegen regeringsdruk en politieke corruptie, maar ook misstanden aankaarten.

Wekenlang repeteert de groep achter in de platenzaak. Perry herstelt het verloren vertrouwen van The Wailers. Hij maakt ze duidelijk dat ze meer kunnen bereiken wanneer ze trouw aan zichzelf blijven en zich op een eerlijke manier uiten.

‘‘Roots reggae kent parallellen met de thema’s van hiphop’’

Studio One slopen
De nummers die The Wailers eerder in Studio One opnemen met Coxsone, worden door Perry volledig gesloopt en gereconstrueerd. Het resultaat van zijn inmenging is een totaal nieuwe sound. Jamaica heeft de radicaal vernieuwende reggaebeat van Funny Boy dan nog helemaal niet laten bezinken of ze krijgen alweer een nieuw genre voor hun kiezen: roots reggae.

Dit reggaegenre adresseert de dagelijkse beslommeringen en dromen van haar makers en daarnaast de spirituele kant van Rastafari en de verering van God, door rasta’s Jah genoemd. Roots reggae kent parallellen met de thema’s van hiphop: het leven in de getto, zwarte trots, armoede, spiritualiteit, weerstand tegen de regering, raciale onderdrukking en repatriëring naar Afrika.

Een van de vele nummers die Perry als Lego uit elkaar haalt en opnieuw opbouwt is ‘Put It On’. Het nummer heeft een spirituele boodschap, maar verdrinkt in olijke ska. Perry bouwt een nieuwe riddim. Langzaam maar krachtig, in balans. Als een sjamaan gidst hij het zangtrio langs de melodie en de opbouwende beat. Het nummer laat hij uitbarsten in woedende drumroffels en kerkdienstachtige kreten.

De teksten komen uit Marley’s pen, of ontstaan als Perry en hij samen zijn. Scratch schrijft het nummer ‘Small Axe’ op toiletpapier, terwijl hij op de wc zit. Samen leggen The Wailers en Perry de fundering van roots reggae. Zij de ideeën, hij de riddim. “Een langzamere beat die plakt, alsof je in lijm stapt. En een andere bas, een bas die op je afgevuurd wordt als kogels uit een pistool,’’ zegt Perry in een veelgeciteerde quote over het nieuwe genre.

Skaslager
Lee Perry fileert en transformeert de sound van The Wailers met bot en al. Iedere serieuze liefhebber weet dat reggae enorm in het krijt staat bij Amerikaanse soul. Menig producer gebruikt in die tijd bestaande r&b-nummers. Daar hebben ze alle reden toe. Het is crisis, en ook de dubplaten zijn tijdens een economische depressie schaars. Daarnaast willen ze eilandbewoners geen muziek voorschotelen die totaal nieuw voor ze is. De r&b-klassiekers kennen ze al, dus de reggaeversies zouden het ook goed moeten doen. Perry gaat een stap verder.

De twee albums die ze in 1970-1971 opnemen, Upsetter en Soul Revolution horen dan tot de beste roots reggae die ooit is vastgelegd. Ik heb vroeger thuis nooit nummers als ‘Small Axe’, ‘Duppy Conquerer’, ‘Kaya’, ‘African Herbsman’, ‘Keep On Moving’, ‘Who The Cap Fit’ en ‘400 Years’ gehoord. Nee, in menig huiskamer en hostel hoor je de latere nummers. Maar die missen toch iets. Ze ontberen die laissez-faire benadering van Perry. Die middelvinger, die ik-doe-geen-concessies flow. Jamaica is rauw, fuck jou als het je niet bevalt, kan mij het bommen.

Tuff Gong Gone
Marley mag in zijn handjes klappen met een coach als Scratch, maar Perry’s leven staat ook op z’n kop door Marley. De twee perfectioneren elkaars creaties, ze halen muzikaal en persoonlijk het beste in elkaar naar boven. Marley is een rasta in hart en nieren, en trekt de tot dan toe neutrale Perry ook over de roodgeelgroene streep.

De magische samenwerking tussen Perry en Marley komt op een laag pitje te staan als Marley in Zweden gaat samenwerken met Johnny Nash en later de continenten afreist op zoek naar andere grootheden. Maar op cruciale momenten in zijn carrière weet Marley de kleine melodietovenaar altijd te vinden.

Het valt Perry zwaar dat de twee elkaar niet meer zien. Marley is voor hem de beste zanger op aarde. Zijn zoektocht naar nieuwe een Jamaicaanse nachtegaal is geen makkie. De zeer militante Junior Byles komt nog het meest in de buurt van een waardige opvolger en met hem neemt Perry een hoop materiaal op.

Alhoewel Perry briljante dingen voor elkaar heeft gekregen met elk lid van The Wailers, resulteert zijn speciale band met Marley in het sterkste werk. Marley vindt in Perry een surrogaatvader, al is hij meer een oudere broer en oké, soms een demente oom. Bovenal is de vergeetachtige Jamaicaan een coach voor de jonge zanger.

''De enige constanten zijn de spliff in zijn mondhoek en de pirouetjes die hij danst als een zoveelste experiment goed uitpakt''

De Ark van Lee
Reggaepuristen zweren bij het werk uit de studio die Perry in 1973 achter zijn huis laat bouwen. Begin jaren zeventig schippert de riddimkoning tussen zijn eigen toko en de befaamde studio’s Randy, King Tubby en Channel One. Het zijn fijne studio’s met geavanceerde set-ups, maar Perry’s continue ingevingen vereisen meer studiotijd. De zoektocht naar een eigen toevluchtsoord begint.

Na maandenlang Trench Town afstruinen besluit Perry te luisteren naar de Moringa-boom in zijn tuin, een Afrikaans exemplaar dat door sommigen wordt gezien als wonderboom of zelfs als de tree of life. Onder haar bladeren krijgt hij een visioen van een studio in zijn tuin. Hij geeft er snel gehoor aan.

Hij noemt zijn studio The Black Ark, refererend aan De Ark des Verbonds of The Ark of the Covenant. Bob Marley, Max Romeo, Yabby You, Junior Byles, The Heptones, The Gladiators, The Congos, Augustus Pablo en vele anderen nemen er hun beste materiaal op. Velen herinneren de plek als een georganiseerde, unieke ruimte en een universum van eigenaardigheden.

Als de Hustlerposters aan de muren de wenkbrauwen niet doen fronsen, dan de regelmatige pornoscreenings wel. Seks is heilig voor de Jamaicaan. “Music, and pussy, are the two things we can’t live without”, zegt hij in de documentaire The Upsetter (2008). Verder draait Perry er veel martial arts films en behangt hij de muren met graffiti en posters van Bruce Lee. Aan ventilatoren hangen stukjes ananas en in een bijkeukentje bakt zijn vrouw tussen haar zangrepetities in dumplings.

Rudimentair
The Black Ark opent na een jaar bouwen in 1974. In London hosselt Perry zijn eerste set-up bij elkaar: LBT-speakers, een microfoon en een viersporenmixer. Die hoogst rudimentaire opzet geeft de producties een bijzonder geluid. Het maakt de liedjes rafelig, iets dat nog eens versterkt wordt door de manier waarop reggae in die tijd überhaupt tot stand komt.

In een video uit 1974 laat Scratch zien hoe reggae wordt gemaakt. Het begint met het uitbalanceren van de drums en de bas. Daarna volgen de andere instrumenten. De band legt vervolgens een riddim neer. Die is altijd off-beat en dat rauwe maakt elke opname uniek. Als hij tevreden is over de riddim laat hij de vocalen inzingen. Maar bij Perry kan zo’n proces ook heel anders verlopen. De enige constanten zijn de spliff in zijn mondhoek en de pirouetjes die hij danst als een zoveelste experiment goed uitpakt.

Terug naar de roots
In 1974 en 1975 bouwt de Jamaicaan aan de reputatie van zijn studio, slijpt hij de techniek en geeft hij producers die The Black Ark huren input voor hun creaties. Dat zorgt ook voor nieuwe technieken en meer dimensies in zijn eigen gereedschapskist. Een mooi voorbeeld is Geoffrey Chung, die er een album opneemt met de jonge Pablo Moses. I Am A Grasshoppper klinkt als rockachtige reggae, de stijl die Perry beïnvloedt en later de hitlijsten bestormt.

De muziek die Scratch van 1974 tot 1978 produceert is absoluut de diepste en zwaarste roots reggae ooit gemaakt. De opzet van The Black Ark heeft daar een groot aandeel in. Het geluid van ratelende kettingen in een slavenschip, het geluid van hoorns in de strijd om Jericho: dit is het geluid van vierhonderd jaar slavernij samengebald op een viersporen tapemachine.

Het Oude Testament is de inspiratiebron voor klassiekers als ‘Give Thanks’ van Delroy Butler, ‘Down Here in Babylon’ van Brent Dowe, ‘African Style’ van The Black Notes, ‘Warning to the Nation’ van Clinton Fearon en ‘Africa We Are Going Home’ van Time Unlimited.


X-Ray music
The Black Ark is ook het lab waar Perry’s eerdere producties massaal onder het mes gaan. Hij transformeert ze naar een stijl die hij X-Ray music doopt de muziekliefhebber kent als dub. In de begindagen van dub kloppen producers vaak bij genrepionier King Tubby aan voor een backing track, maar vanaf halverwege de jaren zeventig ontpopt The Ark zich tot de ware ontdekking van de dubhemel. Voor dub-ofilen zijn Perry’s ‘Super Ape’ en ‘Dub Revolution’ een godsgeschenk.

Wie de dubwateren uit de jaren zeventig verkent, strandt ongetwijfeld bij de zware ark-producties. De nummers hebben een karakteristiek geluid. Dubs meanderen als kalme riviertjes over dialogen. Vlagen van vocalen echoën boven de dubs uit, soms een woord en soms maar een lettergreep. De woorden lijken gevangen in de echo’s, een effect dat wordt uitvergroot door drastische stereo crossfading. In die dagen betekent dit dat je twee brontapes op een nieuwe tape dubt, terwijl je handmatig het volume van de een verlaagt en van de ander verhoogt.

Tel daar bij op: cymbalen die elkaar kopstoten geven en de vreemdste samples. Perry neemt dierengeluiden op, houdt de microfoon bij de tv of verzint andere manieren om geluiden te creëren. Check ter illustratie ‘Woman’s Dub’ en het origineel ‘Womans Gotta Have It’ maar.

‘Bird In Hand’ is een andere track die vermeld moet worden. Het begint met een tekst in Hindi, afkomstig uit een Bollywoodfilm. Het lijkt ingezongen door Perry zelf, maar het is de onbekende Sam Carty die de show steelt. De vindingrijkheid van de bron, de Jamaicaanse interpretatie, de dub, het samenspel van de trommels; dit is ongetwijfeld een van de meest indrukwekkende Jamaicaanse platen ooit gemaakt.

Binnenkort publiceren we het derde en laatste deel