Digging Dub: Lee Perry en de ontdekking van de reggaehemel

Shinta Lempers verdiept zich in soundsystemcultuur en licht de meest memorabele artiesten en momenten uit in deze serie. Ze waagt zich hieronder aan een drieluik over Lee Perry.

De grondlegger van de reggae en een prettig gestoorde gek. Dat is het simpele antwoord op de vraag wie Lee Perry is. De waarheid is een stuk ingewikkelder.

Wanneer ik het over een van mijn grote helden heb, is de eerste reactie vaak: ‘‘Compleet gestoord, loco, a mad man’’. Perry wordt door veel muziekliefhebbers gezien als de dorpsgek van reggaeville. Dat is begrijpelijk, maar veel te kort door de bocht.

De Jamaicaanse tachtigplusser heeft meer dan wie dan ook een hand in het ontstaan van reggae en dub gehad. Zijn buitenaards creatieve impulsen en onafhankelijke aard hebben enkele van de belangrijkste muziekgenres voortgebracht en generaties producers over de hele wereld geïnspireerd.

Perry is de man die vooraan stond toen de beste reggae en dub werd gemaakt. In Jamaica kon je in de jaren vijftig, zestig en zeventig simpelweg niet om hem heen. Daarom vind ik het belangrijk om te benadrukken wat Lee Perry voor de internationale soundsystemcultuur heeft betekend.

''In het hart van West Kingston’s meest notoire getto, klinkt een heel ander geluid''

Te vroeg geboren
Als ik de genialiteit van Perry in één zin zou moet samenvatten? Hij was zijn tijd ver vooruit. In de zestig jaar dat hij produceert rekt de Jamaicaan bestaande muzikale grenzen steeds verder op tot er nieuwe genres ontstaan, om dan meteen het experiment weer voort te zetten.

De omgeving waarin Perry opgroeit is van grote invloed op de artiest die hij wordt en hoe hij tegen de wereld aankijkt. Rainford Hugh Perry wordt in 1936 geboren in het Jamaicaanse plattelandsdorp Kendal. Zijn moeder is een zogenaamde koningin van de Etu, een Afrikaanse rituelenviering van de doden. De traditie is een erfenis van haar voorouders, Afrikanen die een paar eeuwen daarvoor als slaven aan Amerika zijn verkocht.

Naar eigen zeggen fluisteren stemmen uit het hiernamaals de jonge Perry in dat hij zijn nest moet verlaten. Onzichtbare krachten spelen een belangrijke rol in zijn leven. In de documentaire The Upsetter (2008) schrijft hij zijn muzikale talent zelfs hieraan toe. Natuurfenomenen zoals regen, bliksem en stenen zijn voor hem als postduiven van de goden: “I learned everything from stone”. Dat is de reden dat de jonge Perry naar Kingston, door hem vertaald als ‘de steen van de koning’ vertrekt en het platteland berooft van de geliefde dans- en dominokampioen die hij al vroeg is.

Down in the Dungle
De moderne Jamaicaanse muziek komt in die periode net tot wasdom, in de vorm van Amerikaanse big band jazz met Jamaicaanse jus. En terwijl de elite op Amerikaanse liedjes danst, zorgeloos gokt en de huisprostituees bezighoudt, kijkt een ander deel van de bevolking uit op een afvalstort. Hier, down in the dungle, in het hart van West Kingston’s meest notoire getto, klinkt een heel ander geluid. Tonen die onmisbaar zouden blijken voor de Jamaicaanse muziek die de wereld niet lang daarna verovert.

Sinds de jaren dertig zijn de getto’s van Jamaica het territorium van de Burru, rebelse afstammelingen van het Afrikaanse Ashanti-volk, wiens drumtraditie zij voortzetten. De Burru worden gezien als het afvoerputje van de samenleving, omdat ze zich nog aan Afrikaanse tradities vastklampen. De klanken die ze uit handdrums toveren zijn een manifest van hun onvrede over dat stigma. Vasthouden aan ‘slaventradities’ staat gelijk aan achteruitgang. Althans, dat zegt de massa die vindt dat Jamaica naar Europees voorbeeld moet emanciperen.

Maar in de jaren dertig strijkt nog een andere groep in de getto’s neer. Deze Jamaicanen voelen bijzonder veel voor het drumgeluid van de Burru-strijders. Hun naam zal nooit meer worden vergeten: de Rastafari’s.

De aanhangers van de piepjonge levensbeschouwing zoeken de juiste muziek voor hun evangelisering van Ethiopië, dus lenen ze de muziek van de Burru’s in ruil voor een spirituele en religieuze leerschool. In de jaren vijftig en zestig accepteren veel Jamaicaanse jazzmuzikanten het geloof. Uit de rastakampen hoor je ’s nachts de echo’s van jamsessies nagalmen. 

Soundsystemrivalen
In de naoorlogse economische lift doemt ook een ander fenomeen op: het soundsystem. Op suikerrietplantages in Noord-Amerika steken landarbeiders hun middelvinger op naar hun eigenaren, in het zuiden laten werkers slakroppen uit hun handen vallen om terug te keren naar hun thuisland Jamaica.

Ze nemen versterkers en speakers mee, en al snel ontstaan er openlucht-dancehalls. Calypso, rhythm & blues en jazz smelten samen tot ska. Deze soundsystemmuziek is vrijer van vorm dan jazz en heeft niet dezelfde elite-connotaties. Jamaicanen hebben hun nieuwe lievelingsmuziek en vrijetijdsbesteding gevonden. Om andere crews weg te jagen propageren crews hun eigen dansers en exclusieve tunes.

''Hij was een beetje...niet gek, maar soms in een andere dimensie”

Duke Reid, een producer en gevreesde gangster –om elke vinger een ring voor Satan- pakt het anders aan. Hij gebruikt wapens om andere crews te bedreigen en heeft zo het eiland al snel op slot. De enige die nog tegenover hem durft te staan in de zogenaamde soundclashes op straat, is producer Coxsone Dodd. Wanneer de jonge Perry zijn danshonger wil stillen staat hij als in een Westernfilm op een dag nietsvermoedend tussen beiden.

De mannen zijn al snel overtuigd van Perry’s buitenaardse gehoor en grenzeloze creativiteit. Perry werkt voor beiden en eindigt bij Coxsone als veredelde theezetjongen in zijn Studio One. Maar Coxsone is regelmatig afwezig en in de praktijk is Perry’s rol vaak beslissend. Hij schrijft de teksten voor kindsterren, neemt stiekem platen op en kneedt het geluid dat in de beginjaren uit de legendarische studio komt. Maar Coxsone negeert zijn zang- en produceertalent en Perry houdt het voor gezien.

Tegen deze achtergrond neemt Perry in de jaren zestig zelf muziek in verschillende studio’s op. Wat er nou precies zo revolutionair is aan zijn werkwijze, wordt duidelijk door de vele verklaringen van artiesten in de duizelingwekkende biografie People Funny Boy door David Katz.

Te simpel om simpel te zijn
De uitspraak die het voor mij heel mooi uitlegt komt van een onbekende zanger genaamd Easton Clarke. Hij noemt Perry’s benadering paradoxaal en intuïtief. “Het was zó simpel dat het complex werd. Hoe hij muziek zag en maakte was zo intuïtief, niemand anders had die gave. Hij is iemand die tangen en een schroevendraaier gebruikte om een percussiegeluid te creëren. Hij was niet bang om te experimenteren. Iemand die zo dacht als hij kan niet helemaal normaal zijn. Hij was een beetje...niet gek, maar in een andere dimensie soms.”

Die intuïtieve benadering koppelde Perry aan een zesde zintuig: zijn gevoel voor hits. Een zin of een halve melodie, dolend in zijn hoofd, was al genoeg. Die gave zorgt ervoor dat de producer de focus van de Jamaicaanse muziek steeds weer weet te verleggen. Als een sjamaan leest hij de sonische aura’s van het eiland.

Naast zijn abnormale werkwijze en profetische gehoor, heeft Perry nog een ander groot talent: coachen. Gedurende zijn carrière werkt hij met honderden zangers en instrumentalisten samen. Vooral na het succes van zijn eerste echte single ‘People Funny Boy’ (1969), een megahit die de boeken ingaat als een van de eerste nummers met een reggae-riddim én een sample (zijn pasgeboren, huilende dochter). Elke dag meldt zich wel iemand voor een bliksemauditie op de stoep voor zijn platenzaak The Upsetter in Kingston.

Perry is een notoire uitbuiter, veel jonge talenten klagen dat hij nooit betaalt. Toch willen ze per se met hem werken. Hij heeft een sound die niemand heeft, en staat open voor goede ideeën, vertellen ze in de biografie. Zo is hij de eerste grote producer die het gedachtengoed van de Rastafari verwelkomt in de studio. De thug Duke Reid moet helemaal niks van rasta’s hebben en Coxsone is alleen geïnteresseerd in geld.

Zonder Perry geen Bob
Een van de jonge talenten die eind jaren zestig bij Perry aanklopt is Bob Marley. Marley is terecht een van de weinige artiesten die universeel geprezen wordt. Door muziekliefhebbers, activisten, levensgenieters, moslims, christenen, rasta’s, intellectuelen en analfabeten. Toch realiseert lang niet iedereen zich dat Marley misschien nooit die legende geweest zou zijn, als Perry hem niet onder zijn vleugels had genomen. Ik wil de genialiteit van mijn favoriete producer daarom ook illustreren aan de hand van de bijzondere band tussen hem en de meest bekende dreadlock in de geschiedenis van de mensheid.

De precieze chronologie van gebeurtenissen is lastig te achterhalen, de vele bronnen spreken elkaar tegen. David Katz beschrijft dat het in ieder geval zeker is dat Marley de huisband van Perry benadert in de lente van 1970. Marley en Perry hebben elkaar dan nog nooit ontmoet. Bob Marley & The Wailers - Peter Tosh en Bunny Wailer, zijn gedurende hun vroege carrière vooral in de studio bij Perry’s rivaal Coxsone te vinden. Na wat strubbelingen trekt Marley zich eind jaren zestig terug in het Amerikaanse Delaware, waar hij met zijn vrouw Rita bij zijn moeder woont. Als hij opgeroepen wordt om te vechten in de Vietnamoorlog, haast hij zich terug naar Jamaica.

Op woensdag 1 februari publiceren we deel II, check hier eerder gepubliceerde afleveringen uit onze serie Diggin’ Dub