Blunt en Halo de uitdaging van de singersamplesongwriter

Er zaten weinig notoire Bob Dylan-fans in de zaal bij het concert dat Dean Blunt afgelopen vrijdag in het Muziekgebouw aan 't IJ gaf in het kader van het Online Radio Festival. En dat terwijl Londenaar Blunt met Black Metal toch één van de allerbeste singersongwriter-albums van 2014 heeft gemaakt. Pal na Blunt stond nota bene ook nog de Amerikaanse Laurel Halo op het festivalprogramma. Haar album Quarantine werd in 2012 door The Wire verkozen tot plaat van het jaar. Wat Quarantine zo goed maakt is dat het – net als Black Metal – naar nieuwe vormen van songschrijven zoekt vanuit een basis van elektronische muziek.

Black Metal is een onontkoombaar album. In alles. Niets op deze plaat klinkt terloops. De muziek dringt zich aan de luisteraar op, net als de zang. Van de teksten is vaak geen chocola te maken, maar dat maakt niet uit. 'Don't follow leaders, watch the parkingmeters' heeft Dylan immers ook geen windeieren gelegd. Een confronterend album door de titel, de geheel zwarte hoes en vooral de alom aanwezige imposante Blunt zelf.


Laurel Halo mag dan in fysieke zin een aanmerkelijk meer timide verschijning zijn dan Blunt, ook haar Quarantine heeft een immense impact. Op een basis van eigenzinnige, uit samples opgebouwde soundscapes – die in recensies her en der met de Fourth World Music van John Hassell vegeleken zijn, wat qua sfeer wel klopt – zingt ze met heldere, vrijwel onbewerkte stem haar teksten. De kracht zit juist in dat contrast tussen die soundscapes en de goed verstaanbare zang. En tegelijk in de eigenzinnige melodielijnen die in de verte wel aan Dagmar Krause bij Art Bears of aan Robert Wyatt doen denken. Daarbij doet ze geen enkele poging om zichzelf in een traditioneel korset van coupletten en refreinen te persen. En dan is er nog die hoes: een fragment van het schilderij Harakiri School Girls van Maikoto Aida.

Dean Blunt is alles wat zijn naamgenoot James niet is. Dean is géén 'pleaser'. Bij zijn vorige optreden in ons land, tijdens Le Guess Who? In Utrecht, afgelopen najaar, toen Black Metal reeds verschenen was, stuurde hij drie Nederlandse improjazzmuzikanten in een dichte mist van witte rook het podium op, ging zelf een beetje achter de vleugel zitten rommelen en als de muziek zo nu en dan even stilviel, las een uit Engeland meegekomen kompaan vanaf een vel papier een tekst voor.

''Met de pet op het toch al donkere podium diep over de ogen getrokken, maakt Blunt evenzeer een onzekere als een intimiderende indruk''

Ditmaal pakt hij het anders aan. Hij brengt weldegelijk het repertoire van zijn beide soloalbums – Black Metal en het een fractie minder verpletterende The Redeemer uit 2013. De muziek is voor een groot deel 'ingeblikt', met name de diepe bassen en beats. Maar hij heeft ook zangeres en gitariste Joanne Robertson meegenomen, die eveneens op zijn albums te horen is. Plus een saxofonist waarvan de identiteit door de dichte mist op het podium niet duidelijk wordt.

Met de pet op het toch al donkere podium diep over de ogen getrokken, maakt Blunt evenzeer een onzekere als een intimiderende indruk. Het lijken de bassen te zijn die zijn praat-zangstem op het spoor houdt en de bijdragen van Robertson die het vervolgens inkleuren. Maar het zijn songs. Goede, spannende en urgente songs. En vooral songs die nieuwe openingen creëren voor het songschrijversambacht dat al tijden de weg kwijt lijkt in een wirwar van platgetreden paden.

Morsdood
Want laten we eerlijk zijn, het singersongwritersgenre is artistiek op een morsdood spoor terechtgekomen. En dat niet ondanks, maar veeleer dankzij programma's als De Beste Singersongwriter van Nederland, waarin de kijker keer op keer hetzelfde clichébeeld van een huilebalk met een gitaar wordt opgedrongen.

''Vandaag de dag lijkt de westerse wereld wat het gevoelsleven betreft één grote nudistencamping geworden''

Misschien is een kort intermezzo hier even op z’n plaats: een paar opmerkingen over de kwetsbaarheid van de singersongwriter en over de muzikale ontwikkeling van het genre. Altijd dat cliché over de singersongwriter: daar staat hij of zij met dat gitaartje en moet met 'de billen bloot'. Ja, dat was ooit zo. Maar vandaag de dag lijkt de westerse wereld wat het gevoelsleven betreft één grote nudistencamping geworden. Dat is nogal een verschil.

Townes Van Zandt, soms wel de songwriter aller singersongwriters genoemd, schreef het schrijnende, door tientallen gecoverde, 'If I needed you' en dronk zichzelf dood. James Taylor, die miljoenen troost bracht, ontsnapte zelf maar ternauwernood aan het fatale heroÏneshot. Dylans meer politieke generatiegenoot Phil Ochs knoopte zich op z’n zesendertigste op in de badkamer van zijn zuster. En de twee hele grote singersongwriters van de sixties die wel overleefden – Joni Mitchell en Dylan – hebben zich al vele decennialang verschanst in een onneembaar fort van mythevorming. Waar maar mee gezegd is dat dat 'blootgeven' van de klassieke singersongwriters wel wat verder ging dan die drie geplande tranen bij Giel Beelen.

Daar tegenover staat een heel contingent van nieuwe singersongwriters die tegenwoordig de HMH of zelfs de ZiggoDome vullen. Ben Howard, Ed Sheeran, Damien Rice, Passenger, Jack Johnson en noem ze allemaal maar op. Ze zijn openhartig in een tijd dat iedereen zijn of haar meest persoonlijke besognes al op Facebook deelt. Dus ‘so what?’ Ze delen hun emoties in een wereld waarin 'emotie' meer met kijkcijfers dan met daadwerkelijk verdriet te maken heeft. Er zijn zondermeer uitzonderingen en uiteraard chargeer ik hier. Maar het gaat om de grote lijn. Het werk van Dylan, Ochs, Van Zandt en Mitchell heeft een kwetsbaarheid en diepgang die ik vandaag meer terug hoor bij Dean Blunt dan bij Ed Sheeran.

En dan die muzikale ontwikkeling. Het genre singersongwriter wortelt in de folk, de blues, de country en ook in de Europese tradities als vaudeville en cabaret. En heel erg lang waren de handzaam mee te nemen gitaar en de in vrijwel iedere kroeg te vinden piano het voor de hand liggende begeleidingsinstrument. Elektronica als versterking van het geluid deed natuurlijk al in de eerste helft van de vorige eeuw z'n intrede. Grootschalig gebruik van specifiek elektronische instrumenten dateert daarentegen pas van de laatste vijftig jaar. Een handzaam elektronisch instrument – afgezien van een keyboard, wat toch een soort surrogaat orgel of -piano blijft – voor de singersongwriter is er eigenlijk pas sinds de komst van de laptop en portable sampler.

Wat niet wegneemt dat veel singersongwriters muzikaal weldegelijk al veel eerder een stuk verder keken dan hun gitaarhals. Zo werkte de genoemde Phil Ochs in 1967 op zijn album 'Pleasures of the Harbour' al nauw samen met elektronica-avantgardist Joseph Byrd, die bekend zou worden met zijn band The United States of America. In het New York van de jaren zeventig zong Alan Vega in Sucicide begeleid door de elektronica van Martin Rev. Dat leverde een nieuw geluid, maar geen wezenlijk nieuwe muziek op. En ook in de triphop, met wereldsterren als Portishead en Massive Attack hebben de elektronica en het liedje elkaar al decennialang gevonden met veel hedendaags klinkende mainstreampop als resultaat.

Maar dat zijn groepen, natuurlijk. Bands. Interessanter is hoe eenlingen daar mee omgaan. De Nederlandse Elisabeth Esselink, alias Solex, begeleidde haar liedjes in de jaren negentig al van achter de sampler en was daarmee haar tijd vooruit. De afgelopen jaren deed Pien Feith in wat geavanceerde vorm iets vergelijkbaars. En wat te denken van Gijs Borstlap, vocalist van het Amsterdamse trio Rooie Waas. Die gaat nog een stap verder door het songschrijven in feite opnieuw uit te vinden op basis van elektronische noise, ritme en associatieve tekstfragmenten. Toch wordt in de emo-klas van De Beste Singersongwriter van Nederland aan dit soort ontwikkelingen totaal voorbij gegaan.

Tegelijk is in de wereld van de elektronische muziek de singersongwriter in het verleden wel degelijk serieus genomen. Denk aan het toonaangevende Warp-label, dat ruim tien jaar geleden al de Engelse singersongwriter Gravenhurst – het alter ego van de vorig jaar overleden John Talbot – onder contract nam. Of de schitterende samenwerking tussen Alva Noto en Blixa Bargeld op het album Mimikry uit 2010.

Op je bek gaan
Maar terug naar Dean Blunt en Laurel Halo. Hun albums – in het geval van Halo dan het Quarantine-album - combineren niet alleen elektronica en songs, maar vermijden ook de traditionele songstructuren. Het zijn beide platen waarop zowel het begrip 'song' als de reikwijdte van de elektronische muziek wordt opgerekt.

Maar er is ook een essentieel verschil: Laurel Halo schrok blijkbaar zo van de impact van Quarantine – de vragen naar de betekenis van haar teksten, vragen naar parallellen met haar eigen leven, het plotselinge besef van haar kwetsbare opstelling? Wie zal het zeggen? - dat ze een jaar later het volledig instrumentale album Chance of Rain maakte. Omdat, verklaarde ze in interviews, een album wilde dat dichter bij haar liveshow blijft. Dat blijkt.

In het Muziekgebouw zingt Halo geen woord. Ze bouwt een elektronische liveset op, schuivend en stapelend met lagen samples en ritme. Velen doen dat. Een enkeling briljant, denk aan Alva Noto of Fennesz. Een flink aantal doet het goed. En dan komen nog de talloze inwisselbaren. Er is immers nogal wat voor nodig om een dergelijke liveset van degelijk ambacht tot 'kunst' te verheffen. Tegelijk kan een beetje geoefende live-elektronicamuzikant ook niet zo snel op zijn/haar bek gaan. Een mindere dag hebben of een mindere set spelen, ja. Maar totaal uit de bocht vliegen is vrijwel niet mogelijk, omdat er altijd met een half dozijn of meer klanklagen gewerkt wordt en er doorgaans maar een of twee laagjes tegelijk bij of af geschoven worden. Dan dreutelt de basis wel door en een beetje routinier aan de knoppen kan snel corrigeren zonder dat heet publiek iets merkt. De weerloosheid die het waarde kan geven is er vaak niet.

Dat is anders als je alleen met je gitaar staat te zingen, of een solocellosuite speelt. Dan klinkt één fout gezongen of gespeelde noot direct als het knarsend openen van de poort naar de hel.

Het is jammer dat Halo de confrontatie met haar Quarantine-repertoire niet aandurft. Waarmee overigens niet gezegd is dat Chance of Rain daarmee een mindere plaat is. Zeker niet. Het is knap gemaakte en gelaagde elektronische clubmuziek die zich ook thuis op de bank goed laat genieten. Chance of Rain is geen album dat je dwingt tot springen, maar dat uitnodigt om in rond te dwalen.

‘‘Het publiek staat erbij, kijkt ernaar, praat wat, drinkt een glas, verlaat de zaal even voor een plas, komt weer terug en laat het proces zich herhalen’’

Waar blijft die beat?
Lauren begint haar set ook in de geest van het album. Wat anoniem, maar wel met hier en daar onder het oppervlak verstopte subtiliteiten die niet worden weggedrukt door agressieve beats. Nog niet. Het publiek staat erbij, kijkt ernaar, praat wat, drinkt een glas, verlaat de zaal even voor een plas, komt weer terug en laat het proces zich herhalen. Tot de Amerikaanse na vijfentwintig minuten besluit om er maar gewoon eens een beat in te gooien. En ja, daar blijkt op gewacht. Goed, een kwartiertje later zoekt Laurel nog heel even het avontuur op, maar als dat door een substantieel deel van het publiek weer als bar- en plaspauze wordt opgepakt is de keuze snel gemaakt. De beats die vanaf dat moment uit de luidsprekers komen zijn ook nergens meer op het Chance of Rain-album te vinden. Enkele licht aangeschoten bezoekers gaan zowaar in Tiësto- en Van Buuren-stijl met de vingers naar het hemelgewelf prikkend door hun hoekje van de zaal banjeren. Ongeveer het allerlaatste wat ik bij de muziek van Halo verwacht had. Feest in de tent, zonder meer. Maar het is wel puur ‘pleasen’. Daar ben je geen kunstenaar voor. Dat is wat een kunstenaar onderscheidt van een entertainer. De kunstenaar confronteert het publiek alleen maar met zijn of haar eigen verhaal. Onder zijn of haar eigen voorwaarden. Als het publiek dat als ‘entertaining’ ervaart, best dan. Als het publiek het niet als ‘entertaining’ ervaart, nou dan niet.

Geen pleaser
En dat is dus precies wat Dean Blunt in het daar voorafgaande uur had aangetoond. Hij is allesbehalve een ‘pleaser’. Compromisloos, onmiskenbaar en daardoor ook weer kwetsbaar. Zo’n concert waarbij je je kunt voorstellen dat op een rustiger moment iemand in het publiek opstaat en heel hard ‘Judas!’ naar het podium schreeuwt.

Maar dat gebeurt niet in Amsterdam. De shows van Blunt zijn in het verleden vaak zo bizar geweest, dat hij ditmaal ronduit shockeert door gewoon zijn plaat te spelen. Nou ja, min of meer. Om na pakweg drie kwartier met de enorme, aanflitsende stroboskooplichten het publiek uiteindelijk net zo’n schok te bezorgen als de Newport folkfestivalbezoekers in 1965 toen Dylan opeens met een elektrischer band het podium op kwam.

Terwijl het Amsterdamse publiek de handpalmen tegen de ogen drukt, zwelt er een drone aan en drijft weer heen als een wegtrekkend onweer, gevolgd door geknetter alsof er sluiting is in een elektriciteitscentrale. Dan het schelle, naar onhoorbare hoogten verdwijnende gepiep dat associaties oproept met een vertrekkende UFO. Maar Blunt blijkt niet aan boord. Hij keert weer terug op het podium, samen met gitariste Joanne Robertson, de saxofonist en de zwarte bodyguard die gedurende al het strobogeweld onverstoorbaar is blijven staan. ‘Look at me. Look at me’ klinkt zijn diepe stem. Maar hij staat nog altijd in het aardedonker. Impact heeft het absoluut. Een man die nog wel eens een album samen met stadgenoot Scott Walker zou kunnen gaan maken – een perfecte match wellicht. En een stuk realistischer dan die Dylan-connectie, dunkt mij.

Belangrijker vooralsnog is dat zowel Blunt als Halo een album hebben gemaakt dat zowel de elektronische muziek als het songschrijversambacht uitdaagt. Maar dat alleen Blunt die uitdaging ook als live-muzikant durft voort te zetten. Zo zit er wellicht toch nog wat meer Dylan in Dean dan Mitchell in Laurel.